ESRS-norm
ESRS-norm
De term "beleid" is synoniem met de term "concept", die wordt gebruikt in de Duitse versie van de ESRS-norm.
30. De onderneming moet haar vastgestelde klimaatgerelateerde doelstellingen vermelden.
31. Deze informatieplicht is bedoeld om inzicht te verschaffen in de doelstellingen die de onderneming zich heeft gesteld om haar concepten voor klimaatbescherming en aanpassing aan klimaatverandering te ondersteunen, en om de belangrijkste klimaatgerelateerde effecten, risico's en kansen aan te pakken.
32. De vermelding van de doelstellingen overeenkomstig paragraaf 30 omvat de informatie die vereist is voor het volgen van de doeltreffendheid van concepten en maatregelen door middel van streefcijfers overeenkomstig ESRS 2 MDR-T.
33. In het kader van de informatieverstrekking overeenkomstig lid 30 geeft de onderneming aan of en hoe zij broeikasgasemissiereductiedoelstellingen en/of andere doelstellingen voor het beheer van belangrijke klimaatgerelateerde effecten, risico's en kansen heeft vastgesteld, bijvoorbeeld het gebruik van hernieuwbare energie, energie-efficiëntie, aanpassing aan klimaatverandering en vermindering van fysieke risico's of transitierisico's.
34. Indien de onderneming broeikasgasemissiereductiedoelstellingen (39) heeft vastgesteld, zijn de ESRS 2 MDR-T en de volgende vereisten van toepassing:
a) De broeikasgasemissiereductiedoelstellingen worden uitgedrukt in absolute waarden (hetzij in ton CO2-equivalent, hetzij als percentage van de emissies van een referentiejaar) en, indien van toepassing, in intensiteitswaarden.
b) De broeikasgasemissiereductiedoelstellingen worden gespecificeerd voor broeikasgasemissies van de categorieën Scope 1, 2 en 3. In het geval van gecombineerde broeikasgasemissiereductiedoelstellingen geeft de onderneming aan welke broeikasgasemissiecategorieën (scope 1, 2 en/of 3) onder de doelstelling vallen, welk aandeel betrekking heeft op de betreffende scope en welke broeikasgassen worden meegeteld. De onderneming legt uit hoe de samenhang van deze doelstellingen met de beperkingen van haar broeikasgasinventaris wordt gewaarborgd (zoals bepaald in de rapportageverplichting E1-6). De broeikasgasemissiereductiedoelstellingen zijn brutodoelstellingen, d.w.z. dat de onderneming de verwijdering van broeikasgassen, CO2-certificaten of vermeden emissies niet mag meerekenen als middel om de broeikasgasemissiereductiedoelstellingen te bereiken.
c) De onderneming vermeldt haar huidige referentiejaar en referentiewaarde en actualiseert vanaf 2030 het referentiejaar voor haar broeikasgasemissiereductiedoelstellingen na elke daaropvolgende periode van vijf jaar. De onderneming kan de vooruitgang die vóór haar huidige referentiejaar is geboekt bij het bereiken van haar doelstellingen vermelden, mits deze informatie voldoet aan de eisen van deze norm.
d) De broeikasgasemissiereductiedoelstellingen omvatten ten minste streefwaarden voor het jaar 2030 en, indien beschikbaar, voor het jaar 2050. Vanaf 2030 worden na elke periode van vijf jaar streefwaarden vastgesteld.
e) De onderneming geeft aan of de broeikasgasemissiereductiedoelstellingen wetenschappelijk onderbouwd zijn en verenigbaar zijn met het beperken van de opwarming van de aarde tot 1,5 °C. De onderneming geeft ook aan welke richtsnoeren en kaders zijn gebruikt om deze doelstellingen vast te stellen, met inbegrip van de vraag of ze zijn afgeleid van een sectorspecifiek decarbonisatiepad, welke klimaat- en beleidsscenario's ten grondslag liggen en of de doelstellingen extern zijn gevalideerd. Als onderdeel van de kritische aannames voor het vaststellen van de broeikasgasemissiereductiedoelstellingen legt het bedrijf kort uit hoe het rekening heeft gehouden met toekomstige ontwikkelingen (bijv. veranderingen in verkoopvolumes, verschuivingen in klantvoorkeuren en vraag, regelgevende factoren en nieuwe technologieën) en hoe deze mogelijk van invloed zullen zijn op zowel zijn broeikasgasemissies als de emissiereducties.
f) Het bedrijf beschrijft de verwachte decarbonisatiehefbomen en hun totale kwantitatieve bijdrage aan het behalen van de broeikasgasemissiereductiedoelstellingen (bijvoorbeeld energie- of materiaalefficiëntie en vermindering van het verbruik, brandstofwisseling, gebruik van hernieuwbare energie, afschaffing of vervanging van producten en processen).
Toepassingsvereisten (AR)
Toepassingsvereisten (AR)
AR 23. Overeenkomstig paragraaf 34, onder a), kan de onderneming broeikasgasemissiereductiedoelstellingen in intensiteitswaarden aangeven. De intensiteitsdoelstellingen worden geformuleerd als de verhouding tussen de broeikasgasemissies en een eenheid van fysieke activiteit of output. Relevante eenheden van activiteit of output worden vermeld in de sectorspecifieke ESRS. In gevallen waarin de onderneming alleen een doelstelling voor de vermindering van de broeikasgasintensiteit heeft vastgesteld, geeft zij niettemin de overeenkomstige absolute waarden voor het streefjaar en het/de tussentijdse streefjaar(en) aan. Dit kan ertoe leiden dat een onderneming verplicht is een stijging van de absolute broeikasgasemissies voor het streefjaar en het/de tussentijdse streefjaar(en) te rapporteren, bijvoorbeeld omdat zij een organische groei van haar bedrijfsactiviteiten verwacht.
AR 24. Bij het verstrekken van de in paragraaf 34, onder b), vereiste informatie vermeldt de onderneming het deel van de doelstelling dat van toepassing is op de betreffende categorie broeikasgasemissies (scope 1, 2 of 3). De onderneming vermeldt de methode die wordt gebruikt voor de berekening van de broeikasgasemissies van scope 2 die in de doelstelling zijn opgenomen (d.w.z. de locatiegebonden of de marktgebonden methode). Indien de grens van de broeikasgasemissiereductiedoelstelling afwijkt van de grens van de broeikasgasemissies die onder de rapportageverplichting E1-6 worden gerapporteerd, vermeldt de onderneming de gassen die onder de doelstelling vallen, het respectieve percentage van de broeikasgasemissies van de categorieën scope 1, 2 en 3 die onder de doelstelling vallen, en de totale emissies. Voor de broeikasgasemissiereductiedoelstellingen van haar dochterondernemingen past de onderneming deze vereisten dienovereenkomstig toe op het niveau van de dochteronderneming.
AR 25. Bij het verstrekken van de in paragraaf 34, onder c), vereiste informatie over het referentiejaar en de referentiewaarde
a) geeft de onderneming een korte toelichting op de wijze waarop zij ervoor heeft gezorgd dat de referentiewaarde aan de hand waarvan de voortgang ten opzichte van de doelstelling wordt gemeten, representatief is voor de activiteiten die onder de doelstelling vallen en voor de invloed van externe factoren (bijvoorbeeld temperatuurafwijkingen in een bepaald jaar die van invloed zijn op het energieverbruik en de daarmee samenhangende broeikasgasemissies). Dit kan worden gedaan door de referentiewaarde te normaliseren of door een referentiewaarde te gebruiken die is afgeleid van een driejarig gemiddelde, indien dit de representativiteit vergroot en een nauwkeuriger weergave mogelijk maakt.
b) de referentiewaarde en het referentiejaar mogen niet worden gewijzigd, tenzij er wezenlijke veranderingen zijn in de doelstelling of de rapportagegrens. In dat geval legt de onderneming uit hoe de nieuwe referentiewaarde van invloed is op de nieuwe doelstelling, de verwezenlijking daarvan en de weergave van de voortgang in de loop van de tijd. Om de vergelijkbaarheid te bevorderen, kiest de onderneming bij het vaststellen van nieuwe doelstellingen een actueel referentiejaar dat niet langer dan drie jaar vóór het eerste verslagjaar van de nieuwe doelperiode ligt. Zo wordt bijvoorbeeld voor 2030 als doeljaar en een doelperiode tussen 2025 en 2030 een referentiejaar uit de periode 2022-2025 gekozen.
c) actualiseert de onderneming haar referentiejaar vanaf 2030 en daarna om de vijf jaar. Dit betekent dat vóór 2030 de door de ondernemingen gekozen referentiejaren ofwel het huidige referentiejaar voor bestaande doelstellingen zijn, ofwel het eerste jaar van toepassing van de duurzaamheidsverslaglegging overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Richtlijn (EU) 2022/2464 (2024, 2025 of 2026) en na 2030 om de vijf jaar (2030, 2035 enz.).
d) kan de onderneming bij het indienen van klimaatgerelateerde doelstellingen de voortgang bij het bereiken van deze doelstellingen vóór haar huidige basisjaar aangeven. Daarbij zorgt de onderneming er zoveel mogelijk voor dat de informatie over eerdere voortgang voldoet aan de eisen van deze norm. Bij methodologische verschillen, bijvoorbeeld met betrekking tot de doelstellingen, licht de onderneming deze verschillen kort toe.
AR 26. Bij het verstrekken van de in lid 34, onder d) en e), vereiste informatie presenteert de onderneming de informatie voor de doelperiode met verwijzing naar een sectorspecifiek, indien beschikbaar, of een sectoroverschrijdend emissietraject in overeenstemming met de beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 °C. Daartoe berekent de onderneming een aan de 1,5 °C-doelstelling aangepaste referentiewaarde voor de categorieën broeikasgasemissies Scope 1 en Scope 2 (en indien van toepassing een afzonderlijke waarde voor Scope 3), waarmee haar eigen broeikasgasemissiereductiedoelstellingen of tussentijdse doelstellingen binnen de respectieve categorieën kunnen worden vergeleken.
AR 27. De referentiedoelwaarde kan worden berekend door de broeikasgasemissies in het referentiejaar te vermenigvuldigen met een sectorspecifieke (sectorale decarbonisatiemethode) of sectoroverschrijdende (methode van absolute emissiereductie (absolute contraction methodology)) emissiereductiefactor. Deze emissiereductiefactoren kunnen uit verschillende bronnen worden afgeleid. De onderneming moet ervoor zorgen dat de gebruikte bron gebaseerd is op een emissiereductietraject dat verenigbaar is met het beperken van de opwarming van de aarde tot 1,5 °C.
AR 28. De emissiereductiefactoren worden voortdurend verder ontwikkeld. Ondernemingen wordt daarom aangeraden alleen geactualiseerde, openbaar beschikbare informatie te gebruiken.
Sectoroverschrijdend reductietraject (ACA) op basis van 2020 als referentiejaar.
2030: -42 %
2050: -90 %
Bron: Gebaseerd op "Pathways to Net-zero – SBTi Technical Summary" (versie 1.0, oktober 2021)
AR 29. De referentiedoelstelling is afhankelijk van het referentiejaar en de uitgangswaarden van de emissiereductiedoelstelling van de onderneming. Als gevolg daarvan kan de referentiedoelstelling voor ondernemingen met een recent referentiejaar of hogere basisemissies gemakkelijker haalbaar zijn dan voor ondernemingen die in het verleden al ambitieuze maatregelen hebben genomen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Daarom kunnen ondernemingen die in het verleden emissiereducties hebben gerealiseerd in overeenstemming met een sectoroverschrijdend of sectorspecifiek traject dat is afgestemd op de 1,5 °C-doelstelling, hun basisemissies dienovereenkomstig aanpassen om de referentiedoelstelling te bepalen. Wanneer de onderneming de basisemissies dienovereenkomstig aanpast om de referentiedoelstelling vast te stellen, houdt zij geen rekening met emissiereducties vóór 2020 en legt zij passend bewijs voor van de in het verleden gerealiseerde reductie van broeikasgasemissies.
AR 30. Bij het verstrekken van de in paragraaf 34, onder f), vereiste informatie licht de onderneming het volgende toe:
a) met verwijzing naar zijn klimaatmaatregelen, de decarbonisatiehefbomen en hun geschatte kwantitatieve bijdrage aan het bereiken van de broeikasgasemissiereductiedoelstellingen, uitgesplitst naar categorieën (scope 1, 2 en 3),
b) of het voornemens is nieuwe technologieën in te voeren en welke rol deze moeten spelen bij het bereiken van zijn broeikasgasemissiereductiedoelstellingen,
c) of en hoe het rekening heeft gehouden met verschillende klimaatscenario's, waaronder ten minste één scenario dat in overeenstemming is met de beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 °C, om relevante ontwikkelingen op het gebied van milieu, maatschappij, technologie, markt en beleid te identificeren en zijn decarbonisatiehefbomen vast te stellen.
AR 31. De onderneming kan haar broeikasgasemissiereductiedoelstellingen samen met haar klimaatmaatregelen (zie paragraaf AR 19) presenteren in een tabel of grafisch overzicht, waaruit de ontwikkelingen in de loop van de tijd blijken.
Basisjaar (bijv. 2025) | Doelstelling voor 2030 | Doelstelling voor 2035 | Doelstelling voor 2050 | |
Broeikasgasemissies (in duizend ton CO2e) | 100 | 60 | 40 | |
Energie-efficiëntie en vermindering van het verbruik | -10 | -4 | ||
Materiaalefficiëntie en vermindering van het verbruik | -5 | |||
Brandstofwisseling | -2 | |||
Elektrificatie | -10 | |||
Gebruik van hernieuwbare energie | -10 | -3 | ||
Geleidelijke stopzetting, vervanging of wijziging van het product | - | |||
Geleidelijke stopzetting, vervanging of wijziging van het proces | -5 | -3 | ||
Overige |
Voorbeelden uit de praktijk tot nu toe
Voorbeelden uit de praktijk tot nu toe
Voorbeelden dienen alleen als indicatie van hoe andere bedrijven tot nu toe aan hun rapportageverplichting hebben voldaan. Gecontroleerde ESRS-rapporten zijn nog niet beschikbaar. Er is geen garantie voor juistheid en volledigheid.
E1-4 – Doelstellingen klimaatbescherming
Onze emissiereductiedoelstellingen zijn wetenschappelijk onderbouwd. Sinds we onze doelstellingen voor het eerst hebben ingediend bij het Science Based Targets Initiative (SBTi) in 2021, hebben we aanzienlijke vooruitgang geboekt, waaronder het verbeteren van de nauwkeurigheid van onze emissiegegevens en strategische bedrijfsontwikkelingen. Deze veranderingen vereisten volgens het SBTi-protocol een retroactieve aanpassing van de emissies van het basisjaar om een consistente gegevensbasis te garanderen.
Na deze herberekening hebben we begin 2023 onze herziene tienjarendoelstelling voor emissiereductie opnieuw ingediend, die in maart is gevalideerd. Daarnaast hebben we een langetermijndoelstelling voor netto-nuluitstoot ingediend, die eveneens is gevalideerd.
Onze wetenschappelijk onderbouwde doelstellingen voor de middellange termijn:
We verbinden ons ertoe om de absolute broeikasgasemissies in Scope 1 en Scope 2 tegen 2030 met 40% te verminderen ten opzichte van 2021.
Daarnaast streven we naar een vermindering van de Scope 3-emissies uit upstream transportlogistiek met 50% per vervoerde ton per kilometer binnen hetzelfde tijdsbestek.
De Scope 3-doelstelling is gebaseerd op een intensiteitsmaatstaf die de CO₂-uitstoot per vervoerde ton en afgelegde kilometer meet – een gangbare maatstaf in de logistieke sector. Om de doelstelling te halen, is een jaarlijkse vermindering van de emissie-intensiteit met ongeveer 6,5% nodig, zelfs als onze activiteiten groeien.
Onze wetenschappelijk onderbouwde langetermijndoelstelling:
We streven ernaar om tegen 2050 netto nuluitstoot te realiseren in de hele waardeketen.
Daartoe plannen we een vermindering van 85% van de Scope 1- en Scope 2-emissies tegen 2050 ten opzichte van 2021.
Daarnaast willen we de Scope 3-emissies per vervoerde ton per kilometer met 95% verminderen.
Deze doelstellingen onderstrepen ons streven naar een duurzame toekomst en stimuleren ons om onze bedrijfsactiviteiten consequent in overeenstemming te brengen met de eisen van klimaatbescherming.

