Naar de hoofdinhoud

E1-1 – Overgangsplan voor klimaatbescherming

Deze week bijgewerkt

ESRS-norm

14. De onderneming moet haar transitieplan voor klimaatbescherming bekendmaken.

15. Het doel van deze informatieverplichting is inzicht te verschaffen in de eerdere, huidige en toekomstige inspanningen van de onderneming op het gebied van klimaatbescherming, om ervoor te zorgen dat haar strategie en bedrijfsmodel verenigbaar zijn met de transitie naar een duurzame economie en met de beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 °C overeenkomstig het Akkoord van Parijs en de doelstelling om in 2050 klimaatneutraal te zijn en, indien van toepassing, met de blootstelling van de onderneming aan activiteiten op het gebied van steenkool, olie en gas.

16. De in lid 14 bedoelde informatie omvat:

  • a) een toelichting op de wijze waarop de doelstellingen van de onderneming in overeenstemming zijn met de beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 °C overeenkomstig het Akkoord van Parijs, onder verwijzing naar de doelstellingen voor de vermindering van broeikasgasemissies (overeenkomstig informatievereiste E1-4);

  • b) Een toelichting op de geïdentificeerde decarbonisatiemiddelen en de belangrijkste geplande maatregelen, met inbegrip van wijzigingen in de product- en dienstenportefeuille van de onderneming en de invoering van nieuwe technologieën, onder verwijzing naar de broeikasgasemissiereductiedoelstellingen (overeenkomstig informatievereiste E1-4) en de klimaatbeschermingsmaatregelen in de waardeketen (overeenkomstig informatievereiste E1-3).

  • c) Een toelichting en kwantificering van de investeringen en financiële middelen van de onderneming ter ondersteuning van de uitvoering van haar transitieplan, met verwijzing naar de klimaatbeschermingsmaatregelen (overeenkomstig informatievereiste E1-3) en, indien van toepassing, naar taxonomieconforme CapEx-plannen.

  • d) Een kwalitatieve beoordeling van de potentiële gebonden broeikasgasemissies in verband met de belangrijkste activa en producten van de onderneming.

  • e) Een toelichting op de doelstellingen of plannen om economische activiteiten aan te passen aan de criteria van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 van de Commissie.

  • f) Informatie over significante CapEx-bedragen in verband met economische activiteiten op het gebied van steenkool, olie en gas.

  • g) Informatie over de vraag of de onderneming is vrijgesteld van de in Parijs overeengekomen EU-referentiewaarden.

  • h) Een toelichting over hoe het transitieplan is geïntegreerd in de bedrijfsstrategie en financiële planning.

  • i) Of het plan is goedgekeurd door de bestuurs-, leidinggevende en toezichthoudende organen.

  • j) Een toelichting op de voortgang van de onderneming bij de uitvoering van het transitieplan.

17. Indien de onderneming niet over een transitieplan beschikt, moet zij aangeven of en wanneer zij een dergelijk plan zal vaststellen.


Toepassingsvereiste (AR)

AR 1. Een transitieplan heeft betrekking op de inspanningen van de onderneming op het gebied van klimaatbescherming. Bij het aangeven van haar transitieplan wordt van de onderneming een gedetailleerde toelichting verwacht over hoe zij haar strategie en bedrijfsmodel zal aanpassen om in overeenstemming te zijn met de transitie naar een duurzame economie en de beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 °C, in overeenstemming met het Akkoord van Parijs (of een geactualiseerd internationaal klimaatakkoord) en de doelstelling om tegen 2050 klimaatneutraliteit te bereiken zonder of met een beperkte overschrijding overeenkomstig Verordening (EU) 2021/1119 (Europese klimaatwet), en, indien van toepassing, hoe het zijn blootstelling aan kolen-, olie- en gasactiviteiten wil aanpassen.

AR 2. Er zijn nog niet voor alle sectoren sectorgerelateerde trajecten vastgesteld in het kader van openbare concepten. Daarom moet de vermelding van de verenigbaarheid van het transitieplan overeenkomstig lid 16, onder a), met de doelstelling om de opwarming van de aarde tot 1,5 °C te beperken, worden opgevat als een vermelding van de emissiereductiedoelstelling van de onderneming. De informatie overeenkomstig lid 16, onder a), wordt vergeleken met het volgen van een traject naar 1,5 °C. Deze vergelijking moet gebaseerd zijn op een sectorspecifiek decarbonisatiepad (indien beschikbaar voor de sector van de onderneming) of op een scenario voor de hele economie, waarbij rekening moet worden gehouden met de beperkingen daarvan (d.w.z. het gaat om een eenvoudige overdracht van de emissiereductiedoelstellingen van het overheidsniveau naar het bedrijfsniveau). AR 2 moet ook worden gelezen in samenhang met AR 26 en AR 27 en de daarin genoemde sectorspecifieke decarbonisatietrajecten.

AR 26 & AR 27

AR 26. Bij het verstrekken van de in lid 34, onder d) en e), vereiste informatie, verstrekt de onderneming de informatie voor de doelperiode met verwijzing naar een sectorspecifiek, indien beschikbaar, of een sectoroverschrijdend emissietraject in overeenstemming met de beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 °C. Daartoe berekent de onderneming een aan de 1,5 °C-doelstelling aangepaste referentiewaarde voor de categorieën broeikasgasemissies Scope 1 en Scope 2 (en indien van toepassing een afzonderlijke waarde voor Scope 3), waarmee haar eigen broeikasgasemissiereductiedoelstellingen of tussentijdse doelstellingen binnen de respectieve categorieën kunnen worden vergeleken.

AR 27. De referentiedoelwaarde kan worden berekend door de broeikasgasemissies in het referentiejaar te vermenigvuldigen met een sectorspecifieke (sectorale decarbonisatiemethode) of sectoroverschrijdende (methode van absolute emissiereductie (absolute contraction methodology)) emissiereductiefactor. Deze emissiereductiefactoren kunnen uit verschillende bronnen worden afgeleid. De onderneming moet ervoor zorgen dat de gebruikte bron gebaseerd is op een emissiereductietraject dat verenigbaar is met het beperken van de opwarming van de aarde tot 1,5 °C.

AR 3. Bij het verstrekken van de in lid 16, onder d), vereiste informatie kan de onderneming rekening houden met het volgende:

  • a) de cumulatieve gebonden broeikasgasemissies in verband met belangrijke activa vanaf het verslagjaar tot 2030 en 2050 in ton CO2-equivalent. Dit wordt beoordeeld als de som van de geschatte scope 1- en scope 2-emissies gedurende de gebruiksduur van de belangrijkste actieve en vastgelegde activa. De belangrijkste activa zijn die welke eigendom zijn van of onder controle staan van de onderneming en bestaan uit bestaande of geplande activa (zoals vaste of mobiele installaties, faciliteiten en apparatuur) die bronnen zijn van aanzienlijke directe of energie-indirecte broeikasgasemissies. Vast gepland zijn de belangrijkste activa die de onderneming in de komende vijf jaar hoogstwaarschijnlijk zal gebruiken.

  • b) de cumulatieve gebonden broeikasgasemissies in verband met de broeikasgasemissies van verkochte producten in de directe gebruiksfase in ton CO2-equivalent, gewaardeerd als de verkochte hoeveelheid producten in het verslagjaar, vermenigvuldigd met de som van de geschatte directe broeikasgasemissies in de gebruiksfase gedurende hun verwachte levensduur. Deze vereiste is alleen van toepassing als de onderneming de scope 3-categorie "gebruik van verkochte producten" als materieel heeft aangemerkt overeenkomstig de rapportageverplichting E1-6 in paragraaf 51.

  • c) een toelichting op de plannen voor het beheer (d.w.z. herstructurering, stillegging of geleidelijke stopzetting) van zijn broeikasgas- en energie-intensieve activa en producten.

AR 4. Bij het verstrekken van de in lid 16, onder e), vereiste informatie legt de onderneming uit hoe de aanpassing van haar economische activiteiten aan de bepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 van de Commissie zich in de loop van de tijd zal ontwikkelen om haar overgang naar een duurzame economie te ondersteunen. Daarbij houdt de onderneming rekening met de belangrijkste prestatie-indicatoren die overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EU) 2020/852 moeten worden verstrekt (met name taxonomieconforme omzet en CapEx en, indien van toepassing, CapEx-plannen).

AR 5. Bij het verstrekken van de in lid 16, onder g), vereiste informatie verklaart de onderneming of zij, overeenkomstig de criteria van artikel 12, lid 1, onder d) tot en met g), en artikel 12, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/1818 van de Commissie (verordening inzake benchmarks voor klimaatverandering), is uitgesloten van de-afgestemde EU-referentiewaarden.


Voorbeelden uit de praktijk tot nu toe

Voorbeelden dienen alleen als indicatie van hoe andere ondernemingen tot nu toe aan hun informatieplicht hebben voldaan. Gecontroleerde ESRS-rapporten zijn nog niet beschikbaar. Er is geen garantie voor de juistheid en volledigheid ervan.

E1-1 – Transitieplan klimaatbescherming

Ons transitieplan: klimaatneutraliteit en 1,5-graden-doelstelling

Ons transitieplan is gericht op het beperken van de opwarming van de aarde tot 1,5 °C en het bereiken van klimaatneutraliteit in 2050. Deze doelstellingen zijn in overeenstemming met de doelstellingen van het Akkoord van Parijs en de klimaatdoelstellingen van de EU.

Focus op Scope 3-emissies

Als aanbieder van diensten op het gebied van logistiek en transport is ongeveer 98% van onze emissies afkomstig van Scope 3-emissies. Deze ontstaan vooral in de upstream-waardeketen, bijvoorbeeld door vervoerders in de scheepvaart, luchtvaart, weg- en spoorvervoer, die capaciteit ter beschikking stellen in opdracht van onze klanten. Deze emissies maken tegelijkertijd deel uit van de Scope 3-emissies van onze klanten.

Hefboom voor decarbonisatie

Ons plan om de uitstoot te verminderen is erop gericht om de CO₂-voetafdruk van de toeleveringsketens van onze klanten te minimaliseren. Daarbij hanteren we verschillende benaderingen:

  • Logistiek met lage emissies: selectie van partners die hun emissies actief verminderen, bijvoorbeeld door duurzamere vervoersmiddelen te gebruiken.

  • Samenwerking in de waardeketen: samenwerking met producenten van duurzame brandstoffen, zoals Sustainable Aviation Fuel (SAF).

  • Wetenschappelijk onderbouwde doelstellingen: vaststelling van emissie-doelstellingen op korte en lange termijn voor Scope 1, 2 en 3.

  • Interne emissiereductie: maatregelen om de emissies van onze eigen bedrijfsactiviteiten te verminderen.

Wetenschappelijk onderbouwde doelstellingen

Onze emissiedoelstellingen zijn wetenschappelijk onderbouwd. Al in 2020 hebben we ons als een van de eerste logistieke dienstverleners in onze regio verbonden aan de 1,5 °C-doelstellingen van het Science Based Targets Initiative (SBTi). In 2023 werd onze kortetermijndoelstelling gevalideerd en hebben we een langetermijndoelstelling ingediend om netto-nuluitstoot te bereiken volgens de Corporate Net-Zero Standard van het SBTi.

Integratie in de bedrijfsstrategie

Ons transitieplan is een integraal onderdeel van onze strategie en wordt gefinancierd door het jaarlijkse bedrijfs- en financiële planningsproces, dat wordt goedgekeurd door de raad van bestuur en de raad van commissarissen. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de ESG-strategie, inclusief het transitieplan, ligt bij onze CFO. Daarnaast nemen we prestatie-indicatoren voor de vermindering van broeikasgasemissies op in onze managementbeloningssystemen om ervoor te zorgen dat de doelstellingen effectief worden uitgevoerd.


Dit artikel is machinaal vertaald. Bij fouten kunt u contact opnemen met [email protected].

Was dit een antwoord op uw vraag?