Naar de hoofdinhoud

ESRS 1

Deze week bijgewerkt

Doel

1. Het doel van de Europese normen voor duurzaamheidsverslaglegging (European Sustainability Reporting Standards, ESRS) is het vaststellen van de duurzaamheidsinformatie die een onderneming moet verstrekken overeenkomstig Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (1), zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2022/2464 van het Europees Parlement en de Raad (2). Verslaglegging in overeenstemming met de ESRS ontslaat ondernemingen niet van andere verplichtingen die zijn vastgelegd in het recht van de Unie.

2. De ESRS specificeert met name de informatie die een onderneming moet verstrekken over haar materiële effecten, risico's en kansen met betrekking tot duurzaamheidsaspecten op het gebied van milieu, maatschappij en governance. De ESRS vereist niet dat een onderneming informatie verstrekt over milieu-, maatschappelijke en governancekwesties die onder de ESRS vallen, indien zij deze kwesties als niet-materieel heeft beoordeeld (zie het stroomschema voor het bepalen van de te verstrekken informatie in bijlage E bij deze standaard). De informatie die in overeenstemming met de ESRS wordt verstrekt, stelt de gebruikers van de duurzaamheidsverklaring in staat inzicht te krijgen in de wezenlijke effecten van de onderneming op mens en milieu en in de wezenlijke effecten van duurzaamheidsaspecten op de ontwikkeling, prestaties en positie van de onderneming.

3. Het doel van deze standaard (ESRS 1) is inzicht te verschaffen in de opzet van de ESRS, de formuleringprincipes en de onderliggende concepten, alsmede de algemene vereisten voor het opstellen en presenteren van duurzaamheidsinformatie overeenkomstig Richtlijn 2013/34/EU, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2022/2464.

1. ESRS-categorieën, rapportagegebieden en formuleringprincipes

1.1 ESRS-categorieën

4. Er zijn drie categorieën ESRS:

  • a) Algemene normen

  • b) Thema-gerelateerde normen (milieu-, sociale en governance-normen)

  • c) Sectorale normen

5. Algemene en themagerichte normen zijn sectoronafhankelijk, d.w.z. ze gelden voor alle ondernemingen, ongeacht in welke sector of sectoren de onderneming actief is.

6. De algemene normen ESRS 1 Algemene vereisten en ESRS 2 Algemene informatie zijn van toepassing op de duurzaamheidsaspecten die worden gedekt door thematische en sectorspecifieke normen.

7. In deze standaard (ESRS 1) worden de opbouw van de ESRS beschreven, de formuleringprincipes en de onderliggende concepten toegelicht en algemene eisen voor het opstellen en presenteren van duurzaamheidsgerelateerde informatie vastgesteld.

8. Thematische ESRS hebben betrekking op een duurzaamheidsthema en zijn onderverdeeld in thema's en subthema's en, indien nodig, in sub-subthema's. De tabel in toepassingsvereiste (Application Requirement, AR) 16 bij deze standaard biedt een overzicht van de duurzaamheidsgerelateerde thema's, subthema's en sub-subthema's (samen "duurzaamheidsaspecten") die door thematische ESRS worden behandeld.

9. Thema-gerelateerde ESRS kunnen specifieke vereisten bevatten die een aanvulling vormen op de algemene informatieverplichtingen van ESRS 2. ESRS 2 Bijlage C Informatievereisten/toepassingsvereisten in thematische ESRS, die samen met de algemene informatievereisten van ESRS 2 van toepassing zijn, bevat een lijst van aanvullende vereisten in thematische ESRS waaraan de onderneming samen met de algemene informatievereisten van ESRS 2 moet voldoen.

10. Sectorspecifieke standaarden zijn van toepassing op alle ondernemingen binnen een sector. Ze hebben betrekking op effecten, risico's en kansen die van wezenlijk belang kunnen zijn voor alle ondernemingen in een bepaalde bedrijfstak en die niet of onvoldoende worden gedekt door thematische standaarden. Sectorspecifieke standaarden zijn multithematisch en hebben betrekking op de onderwerpen die voor de betreffende sector het belangrijkst zijn. Met sectorspecifieke normen wordt een hoge mate van vergelijkbaarheid bereikt.

11. Als de onderneming tot de conclusie komt dat effecten, risico's of kansen die niet of onvoldoende gedetailleerd door een ESRS worden behandeld, toch van wezenlijk belang zijn vanwege hun specifieke feiten en omstandigheden, verstrekt zij naast de informatie die in de drie ESRS-categorieën is vastgelegd, aanvullende bedrijfsspecifieke informatie die gebruikers in staat stelt de duurzaamheidsgerelateerde effecten, risico's of kansen van de onderneming te begrijpen. De toepassingsvereisten AR 1 tot en met AR 5 bevatten aanvullende richtsnoeren met betrekking tot bedrijfsspecifieke informatie.

1.2 Rapportagegebieden en minimale inhoud van de informatie met betrekking tot concepten, maatregelen, doelstellingen en indicatoren

12. De informatieverplichtingen in ESRS 2, in thematische ESRS en in sectorspecifieke ESRS zijn onderverdeeld in de volgende rapportagegebieden:

  • a) Governance (GOV): de procedures, controles en processen op het gebied van governance voor het monitoren, beheren en controleren van effecten, risico's en kansen (zie ESRS 2 hoofdstuk 2 Governance);

  • b) Strategie (Strategy and business model, SBM): de wisselwerking tussen de strategie en het bedrijfsmodel van de onderneming en de belangrijkste effecten, risico's en kansen daarvan, met inbegrip van de wijze waarop de onderneming met deze effecten, risico's en kansen omgaat (zie ESRS 2, hoofdstuk 3 Strategie);

  • c) beheer van effecten, risico's en kansen (Impact, risk and opportunity management, IRO): de procedure(s) waarmee de onderneming

    • i. effecten, risico's en kansen identificeert en de materialiteit ervan beoordeelt (zie IRO-1 in paragraaf 4.1 van ESRS 2)

    • ii. en belangrijke duurzaamheidsaspecten aanpakt door middel van concepten en maatregelen (zie paragraaf 4.2 van ESRS 2);

  • d) Kengetallen en doelstellingen (Metrics and targets, MT): de prestaties van de onderneming, met inbegrip van de door haar vastgestelde doelstellingen en de voortgang bij het bereiken van deze doelstellingen (zie ESRS 2 hoofdstuk 5 Kengetallen en doelstellingen).

13. ESRS 2 omvat het volgende:

  • a) minimale informatievereisten met betrekking tot beleid (Minimum Disclosure Requirements – Policies, MDR-P) en maatregelen (Minimum Disclosure Requirements – Actions, MDR-A) (paragraaf 4.2),

  • b) minimale informatievereisten met betrekking tot indicatoren (Minimum Disclosure Requirements – Metrics, MDR-M) en doelstellingen (Minimum Disclosure Requirements – Targets, MDR-T) (paragraaf 5).

De onderneming past de minimale informatievereisten met betrekking tot beleidslijnen, maatregelen, indicatoren en doelstellingen toe, samen met de overeenkomstige informatievereisten van de thematische en sectorspecifieke ESRS.

1.3 Formuleringsbeginselen

14. In alle ESRS verwijst de term

  • a) "effecten" verwijst naar positieve en negatieve duurzaamheidseffecten in verband met de bedrijfsactiviteiten van de onderneming, die zijn vastgesteld in het kader van een analyse van de materialiteit van de effecten (zie paragraaf 3.4 Materialiteit van de effecten). Het verwijst zowel naar de werkelijke als naar mogelijke toekomstige effecten;

  • b) "risico's en kansen" verwijst naar de duurzaamheidsgerelateerde financiële risico's en kansen van de onderneming, met inbegrip van die welke voortvloeien uit afhankelijkheden van natuurlijke, personele en sociale hulpbronnen, die zijn vastgesteld in het kader van een analyse van de financiële materialiteit (zie paragraaf 3.5).

Deze worden samen aangeduid als "effecten, risico's en kansen" (impacts, risks and opportunities, IRO). Ze houden rekening met het in paragraaf 3 beschreven beginsel van dubbele materialiteit van ESRS.

15. In alle ESRS worden termen die in de woordenlijst met definities (bijlage II) zijn gedefinieerd, vetgedrukt en cursief weergegeven, tenzij een gedefinieerde term meer dan eens in dezelfde alinea wordt gebruikt.

16. In de ESRS wordt de informatie die in het kader van de informatieverplichtingen moet worden verstrekt, op gestructureerde wijze weergegeven. Elke informatieverplichting bestaat uit een of meer verschillende gegevenspunten. De term "gegevenspunt" kan ook verwijzen naar een beschrijvend subelement van een informatieverplichting.

17. Naast de informatieverplichtingen bevatten de meeste ESRS ook toepassingsvereisten. Toepassingsvereisten ondersteunen de toepassing van de informatieverplichtingen en hebben dezelfde bindende kracht als de andere onderdelen van een ESRS.

18. In de ESRS wordt als volgt onderscheid gemaakt tussen de verschillende niveaus van verplichting van de onderneming om informatie te verstrekken:

  • a) de uitdrukking "moet vermelden" betekent dat de vermelding wordt voorgeschreven door een informatieverplichting of een gegevenspunt;

  • b) de uitdrukking "kan vermelden" betekent dat de vermelding vrijwillig gebeurt ter bevordering van goede praktijken.

Bovendien worden in de ESRS de formuleringen "moet rekening houden met", "moet controleren" of "moet letten op" gebruikt wanneer wordt verwezen naar onderwerpen, middelen of methoden waarvan wordt verwacht dat de onderneming deze, indien van toepassing, in aanmerking neemt of gebruikt bij het opstellen van de betreffende informatie.

2. Kwalitatieve kenmerken van informatie

19. Bij het opstellen van zijn duurzaamheidsverslag moet de onderneming het volgende toepassen:

  • a) de fundamentele kwalitatieve kenmerken van informatie, d.w.z. relevantie en waarheidsgetrouwe weergave, en

  • b) de uitgebreide kwalitatieve kenmerken van informatie, d.w.z. vergelijkbaarheid, controleerbaarheid en begrijpelijkheid.

20. Deze kwalitatieve kenmerken van informatie worden gedefinieerd en beschreven in bijlage B bij deze standaard.

3. Dubbele materialiteit als basis voor de vermelding van duurzaamheidsinformatie

21. De onderneming rapporteert over duurzaamheidsaspecten op basis van het in dit hoofdstuk gedefinieerde en toegelichte principe van dubbele materialiteit.

3.1 Belanghebbenden en hun belang voor de materialiteitsanalyse

22. Belanghebbenden zijn personen of groepen die invloed uitoefenen op de onderneming of door haar kunnen worden beïnvloed

. Er zijn twee hoofdgroepen van belanghebbenden:

  • a) betrokken belanghebbenden: personen of groepen wier belangen worden of kunnen worden beïnvloed, positief of negatief, door de activiteiten van de onderneming en haar directe en indirecte zakelijke relaties in haar hele waardeketen, en

  • b) gebruikers van duurzaamheidsverklaringen: belangrijkste gebruikers van financiële verslaglegging voor algemene doeleinden (bestaande en potentiële investeerders, kredietverstrekkers en andere crediteuren, waaronder vermogensbeheerders, kredietinstellingen, verzekeringsmaatschappijen) en andere gebruikers van duurzaamheidsverklaringen, waaronder de zakenpartners, vakbonden en sociale partners van de onderneming, het maatschappelijk middenveld en niet-gouvernementele organisaties, overheden, analisten en wetenschappers.

23. Sommige, maar niet alle belanghebbenden kunnen tot beide in paragraaf 22 genoemde groepen behoren.

24. Samenwerking met de betrokken belanghebbenden is van cruciaal belang voor het lopende proces van naleving van de zorgvuldigheidsplicht van de onderneming (zie hoofdstuk 4 Zorgvuldigheidsplicht) en de analyse van de duurzaamheidsgerelateerde materialiteit. Dit omvat ook de procedures voor het identificeren en beoordelen van feitelijke en potentiële negatieve effecten, die vervolgens worden meegenomen in de beoordelingsprocedure om de materiële effecten voor duurzaamheidsverslaglegging te identificeren (zie paragraaf 3.4 van deze standaard).

3.2 Wezenlijke aspecten en materialiteit van informatie

25. Het uitvoeren van een materialiteitsanalyse (zie paragrafen 3.4 Materialiteit van effecten en 3.5 Financiële materialiteit) is noodzakelijk om de onderneming in staat te stellen de te rapporteren materiële effecten, risico's en kansen te identificeren.

26. De materialiteitsanalyse vormt het uitgangspunt voor duurzaamheidsverslaggeving in het kader van het ESRS. IRO-1 in paragraaf 4.1 van ESRS 2 bevat algemene informatievereisten met betrekking tot de door de onderneming toe te passen procedure voor het vaststellen van effecten, risico's en kansen en voor het analyseren van de materialiteit daarvan. SBM-3 van de ESRS 2 bevat algemene informatievereisten met betrekking tot de materiële effecten, risico's en kansen die voortvloeien uit de materialiteitsanalyse van de onderneming.

27. De toepassingsvereisten in bijlage A bij deze standaard bevatten een lijst van duurzaamheidsaspecten die in de thematische ESRS worden behandeld en die zijn gecategoriseerd naar thema's, subthema's en sub-subthema's, zodat ze kunnen worden gebruikt bij de materialiteitsanalyse. In bijlage E, Stroomschema voor het bepalen van de op te nemen informatie van deze standaard, wordt de in deze paragraaf beschreven materialiteitsanalyse geïllustreerd.

28. Een duurzaamheidsaspect is 'materieel' als het voldoet aan de criteria voor materialiteit van de effecten (zie paragraaf 3.4 van deze standaard) of voor financiële materialiteit (zie paragraaf 3.5 van deze standaard) of voor beide.

29. Ongeacht het resultaat van zijn materialiteitsanalyse moet de onderneming altijd de algemene informatie (d.w.z. alle informatievereisten en gegevenspunten die in ESRS 2 zijn vastgelegd) en de informatievereisten (inclusief de gegevenspunten) in thematische ESRS in verband met informatievereiste IRO-1 Beschrijving van de procedures voor het identificeren en beoordelen van de materiële effecten, risico's en kansen overeenkomstig ESRS 2 Bijlage C Informatievereisten/toepassingsvereisten in thematische ESRS, die samen met de algemene informatievereisten van ESRS 2 van toepassing zijn.

30. Als de onderneming op basis van een materialiteitsanalyse tot de conclusie komt dat een duurzaamheidsaspect waarvoor volgens ESRS 2 IRO-1, IRO-2 en SBM-3 informatieverplichtingen zijn vastgesteld, materieel is, moet zij

  • a) informatie verstrekken over dit specifieke duurzaamheidsaspect in de betreffende thematische en sectorspecifieke ESRS, in overeenstemming met de informatieverplichtingen (inclusief toepassingsvereisten)

  • b) aanvullende bedrijfsspecifieke informatie verstrekken (zie paragraaf 11 en AR 1 tot en met AR 5 van deze standaard) indien het materiële duurzaamheidsaspect niet wordt gedekt door een ESRS of door voldoende granulariteit.

31. De relevante informatie die vereist is in het kader van een informatieverplichting (met inbegrip van de gegevenspunten) of een bedrijfsspecifieke informatie, moet worden verstrekt indien de onderneming deze als relevant heeft beoordeeld in het kader van haar materialiteitsanalyse op basis van een of meer van de volgende aspecten:

  • a) het belang van de informatie met betrekking tot het aspect dat zij weergeeft of toelicht, of

  • b) het vermogen van deze informatie om gebruikers te helpen bij het nemen van beslissingen (onder meer de belangrijkste gebruikers bij de algemene financiële verslaglegging zoals beschreven in paragraaf 48) en/of de behoeften van gebruikers die vooral geïnteresseerd zijn in informatie over de impact van de onderneming.

32. Als de onderneming tot de conclusie komt dat klimaatverandering niet materieel is en daarom de informatieverplichtingen in ESRS E1 Klimaatverandering niet opneemt, dan legt zij de conclusies van haar materialiteitsanalyse met betrekking tot klimaatverandering (zie ESRS 2 IRO-2 In ESRS opgenomen informatievereisten die onder de duurzaamheidsverklaring van de onderneming vallen) gedetailleerd uit, met inbegrip van een prospectieve analyse van de omstandigheden die de onderneming ertoe zouden kunnen brengen om klimaatverandering in de toekomst als materieel te beschouwen. Als de onderneming tot de conclusie komt dat een ander onderwerp dan klimaatverandering niet materieel is en zij daarom alle informatie weglaat die vereist is volgens de informatieverplichtingen in een thematische ESRS, kan zij kort de conclusies van haar materialiteitsanalyse voor dat onderwerp toelichten.

33. Bij het verstrekken van informatie over concepten, maatregelen en doelstellingen met betrekking tot een duurzaamheidsaspect dat als materieel is beoordeeld, neemt de onderneming de informatie op die vereist is volgens alle informatievereisten en gegevenspunten van de thematische en sectorspecifieke ESRS met betrekking tot dat aspect en de overeenkomstige minimale informatievereisten voor concepten, maatregelen en doelstellingen volgens ESRS 2. Als de onderneming de informatie die vereist is volgens de rapportagevereisten en gegevenspunten van de thematische of sectorspecifieke ESRS of volgens de minimale rapportagevereisten van ESRS 2 met betrekking tot concepten, maatregelen en doelstellingen niet kan verstrekken omdat zij de betreffende concepten niet heeft vastgesteld, de betreffende maatregelen niet heeft geïmplementeerd of de betreffende doelstellingen niet heeft vastgesteld, moet zij dit vermelden en kan zij een tijdschema aangeven waarbinnen het dit wil implementeren

34. Indien de onderneming informatie verstrekt over indicatoren voor een materieel duurzaamheidsaspect overeenkomstig het deel Indicatoren en doelstellingen van de thematische huidige ESRS,

  • a) moet het de informatie verstrekken die in een rapportageverplichting is voorgeschreven, indien het deze informatie als materieel heeft beoordeeld, en

  • b) mag zij de informatie die in een gegevenspunt van een rapportageverplichting wordt vereist, weglaten indien zij deze informatie als niet-materieel heeft beoordeeld en tot de conclusie komt dat deze informatie niet nodig is om aan de doelstelling van de rapportageverplichting te voldoen.

35. Als de onderneming de informatie weglaat die is voorgeschreven door een gegevenspunt dat voortvloeit uit andere EU-wetgeving die is opgenomen in bijlage B bij ESRS 2, verklaart zij uitdrukkelijk dat de betreffende informatie „niet essentieel” is.

36. De onderneming legt vast hoe zij criteria (met inbegrip van passende drempelwaarden) toepast om het volgende te bepalen:

  • a) de informatie die het overeenkomstig punt 34 verstrekt over indicatoren voor een essentieel duurzaamheidsaspect overeenkomstig het deel „Indicatoren en doelstellingen” van de actuele ESRS per thema, en

  • b) de informatie die als bedrijfsspecifieke informatie moet worden verstrekt.

3.3 Dubbele materialiteit

37. Dubbele materialiteit heeft twee dimensies: de materialiteit van de effecten en de financiële materialiteit. Tenzij anders aangegeven, worden de termen "materieel" en "materialiteit" in alle ESRS gebruikt om te verwijzen naar dubbele materialiteit.

38. De analyses van de materialiteit van de effecten en de financiële materialiteit zijn met elkaar verbonden en er moet rekening worden gehouden met de wisselwerking tussen deze twee dimensies. In het algemeen vormt de beoordeling van de effecten het uitgangspunt, ook al kunnen er materiële risico's en kansen zijn die geen verband houden met de effecten van de onderneming. Een duurzaamheidsgerelateerde impact kan vanaf het begin financieel materieel zijn of financieel materieel worden als redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze op korte, middellange of lange termijn van invloed is op de financiële positie, de winstgevendheid, de kasstromen, de toegang tot financiering of de kapitaalkosten van de onderneming. Impacten worden vanuit het oogpunt van materialiteit opgenomen, ongeacht of ze financieel materieel zijn.

39. Bij het identificeren en analyseren van de effecten, risico's en kansen in de waardeketen van de onderneming om de materialiteit ervan te bepalen, concentreert de onderneming zich op gebieden waar effecten, risico's en kansen waarschijnlijk worden geacht vanwege de aard van de betreffende activiteiten, zakelijke relaties, geografische omstandigheden of andere factoren.

40. De onderneming moet nagaan hoe zij wordt beïnvloed door haar afhankelijkheid van de beschikbaarheid van natuurlijke, personele en sociale hulpbronnen tegen redelijke prijzen en van redelijke kwaliteit, ongeacht haar potentiële impact op deze hulpbronnen.

41. De belangrijkste effecten, risico's en kansen van een onderneming komen overeen met de materiële aspecten en moeten daarom in haar duurzaamheidsverslag worden vermeld.

42. De onderneming moet de in de paragrafen 3.4 en 3.5 van deze norm vastgelegde criteria toepassen op basis van passende kwantitatieve en/of kwalitatieve drempelwaarden. Passende drempelwaarden zijn nodig om te bepalen welke effecten, risico's en kansen voor de onderneming materieel zijn en dienovereenkomstig moeten worden behandeld, en om te bepalen welke duurzaamheidsaspecten materieel zijn voor de verslaglegging. In sommige bestaande standaarden en kaders wordt de term 'meest significante effecten' gebruikt wanneer wordt verwezen naar de drempelwaarde die wordt gebruikt om de effecten te bepalen die in de ESRS worden omschreven als 'significante effecten'.

3.4 Materialiteit van de effecten

43. Een duurzaamheidsaspect is materieel wat betreft de effecten wanneer het betrekking heeft op de materiële feitelijke of potentiële, positieve of negatieve effecten van de onderneming op mensen of het milieu op korte, middellange of lange termijn. De effecten omvatten die welke verband houden met de eigen bedrijfsactiviteiten en de toeleverings- en afzetketen van de onderneming, ook via haar producten en diensten en via haar zakelijke relaties. Zakelijke relaties omvatten de toeleverings- en afzetketen van de onderneming en zijn niet beperkt tot directe contractuele relaties.

44. In dit verband omvatten de effecten op mensen of het milieu ook effecten met betrekking tot milieu-, sociale en governanceaspecten.

45. De analyse van de materialiteit van negatieve effecten is gebaseerd op de procedure voor het nakomen van de zorgplicht die is vastgelegd in de internationale instrumenten van de leidende beginselen van de Verenigde Naties voor bedrijfsleven en mensenrechten en de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen. Bij daadwerkelijke negatieve effecten wordt de materialiteit bepaald door de ernst van de effecten, bij potentiële negatieve effecten door de ernst en de waarschijnlijkheid van de effecten. De ernst wordt bepaald op basis van de volgende factoren:

  • a) de omvang,

  • b) de omvang en

  • c) de onomkeerbaarheid van de effecten.

In het geval van mogelijke negatieve effecten op de mensenrechten heeft de ernst van de effecten voorrang op de waarschijnlijkheid ervan.

46. Met betrekking tot positieve effecten is de materialiteit gebaseerd op

  • a) de omvang en reikwijdte van de effecten (bij daadwerkelijke effecten) en

  • b) de omvang, reikwijdte en waarschijnlijkheid van de effecten (bij potentiële effecten).

3.5 Financiële materialiteit

47. De reikwijdte van de financiële materialiteit voor duurzaamheidsverslaggeving is een uitbreiding van de reikwijdte van de materialiteit die wordt gehanteerd bij het bepalen van de informatie die in de jaarrekening van de onderneming moet worden opgenomen.

48. De methode voor het analyseren van financiële materialiteit komt overeen met het vaststellen van informatie voor de belangrijkste gebruikers van algemene financiële verslaglegging bij het nemen van beslissingen met betrekking tot het verstrekken van middelen aan een onderneming als materieel. Met name wordt informatie voor de belangrijkste gebruikers van algemene financiële verslaglegging als materieel beschouwd wanneer redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het weglaten, verkeerd weergeven of verhullen van deze informatie van invloed kan zijn op de beslissingen die zij nemen op basis van de duurzaamheidsverklaring van de onderneming.

49. Een duurzaamheidsaspect is vanuit financieel oogpunt van materieel belang wanneer het materiële financiële gevolgen voor de onderneming heeft of wanneer deze redelijkerwijs te verwachten zijn. Dit is het geval wanneer een duurzaamheidsaspect risico's of kansen met zich meebrengt die op korte, middellange of lange termijn een wezenlijke invloed hebben op de ontwikkeling, de financiële positie, de winstgevendheid, de kasstromen, de toegang tot financiering of de kapitaalkosten van de onderneming (of wanneer een dergelijke invloed redelijkerwijs te verwachten is). Risico's en kansen kunnen voortvloeien uit gebeurtenissen in het verleden of in de toekomst. De financiële materialiteit van een duurzaamheidsaspect is niet beperkt tot aspecten die onder de controle van de onderneming vallen, maar omvat ook informatie over materiële risico's en kansen die voortvloeien uit zakelijke relaties buiten de consolidatiekring die bij het opstellen van de jaarrekening is gebruikt.

50. Afhankelijkheden van natuurlijke, personele en sociale hulpbronnen kunnen oorzaken zijn van financiële risico's of kansen. Afhankelijkheden kunnen op twee verschillende manieren van invloed zijn:

  • a) ze kunnen van invloed zijn op het vermogen van de onderneming om de voor haar bedrijfsprocessen benodigde middelen te blijven gebruiken of aanschaffen, alsook op de kwaliteit en prijzen van deze middelen, en

  • b) zij kunnen het vermogen van de onderneming om op aanvaardbare voorwaarden te vertrouwen op de voor haar bedrijfsprocessen noodzakelijke relaties, negatief beïnvloeden.

51. De materialiteit van risico's en kansen wordt beoordeeld op basis van een combinatie van de waarschijnlijkheid van optreden en de potentiële omvang van de financiële effecten.

3.6 Wezenlijke effecten of risico's die voortvloeien uit maatregelen om duurzaamheidsaspecten aan te pakken

52. De materialiteitsanalyse van de onderneming kan leiden tot het vaststellen van situaties waarin haar maatregelen om bepaalde effecten of risico's aan te pakken of bepaalde kansen in verband met een duurzaamheidsaspect te benutten, wezenlijke negatieve effecten of wezenlijke risico's met zich mee kunnen brengen in verband met een of meer andere duurzaamheidsaspecten. Voorbeelden:

  • a) een actieplan voor het koolstofarm maken van de productie, waarbij de productie van bepaalde producten wordt stopgezet, kan aanzienlijke negatieve gevolgen hebben voor het personeel van de onderneming en leiden tot aanzienlijke risico's als gevolg van ontslagvergoedingen, of

  • b) een actieplan van een toeleverancier van de automobielindustrie dat zich richt op de levering van elektrische voertuigen, zou kunnen leiden tot verloren activa voor de productie van onderdelen voor conventionele voertuigen.

53. In dergelijke situaties gaat de onderneming als volgt te werk:

  • a) het meldt het bestaan van aanzienlijke negatieve effecten of aanzienlijke risico's en vermeldt de maatregelen die deze veroorzaken, met een verwijzing naar het onderwerp waarop de effecten of risico's betrekking hebben, en

  • b) het beschrijft hoe de wezenlijke negatieve effecten of wezenlijke risico's worden aangepakt in het kader van het onderwerp waarop zij betrekking hebben.

3.7 Mate van uitsplitsing

54. Indien dit nodig is voor een goed begrip van zijn materiële effecten, risico's en kansen

, splitst de onderneming de gerapporteerde informatie als volgt op:

  • a) per land, indien er tussen landen aanzienlijke verschillen bestaan in de wezenlijke effecten, risico's en kansen en indien de presentatie van de informatie op een hoger aggregatieniveau wezenlijke informatie over effecten, risico's of kansen zou verhullen, of

  • b) per belangrijke locatie of belangrijk actief, indien de wezenlijke effecten, risico's en kansen sterk afhankelijk zijn van een bepaalde locatie of een bepaald actief.

55. Bij het bepalen van de juiste mate van uitsplitsing voor de rapportage moet de onderneming rekening houden met de uitsplitsing die ten grondslag ligt aan haar materialiteitsanalyse. Afhankelijk van de feiten en omstandigheden van de onderneming kan een uitsplitsing per dochteronderneming noodzakelijk zijn.

56. Wanneer gegevens van verschillende niveaus of van meerdere locaties binnen een niveau worden geaggregeerd, zorgt de onderneming ervoor dat deze aggregatie de specificiteit en de verbanden die nodig zijn voor de interpretatie van de informatie niet verhult. De onderneming mag geen essentiële elementen aggregeren die qua kenmerken van elkaar verschillen.

57. Indien de onderneming naar sectoren uitgesplitste informatie verstrekt, gebruikt zij de ESRS-sectorclassificatie die moet worden vastgesteld in een door de Commissie overeenkomstig artikel 29 ter, lid 1, derde alinea, onder ii), van Richtlijn 2013/34/EU vastgestelde gedelegeerde handeling. Indien een thematische of sectorspecifieke ESRS vereist dat bij het opstellen van een bepaald element van informatie een bepaald niveau van uitsplitsing wordt toegepast, heeft de vereiste in de thematische of sectorspecifieke ESRS voorrang.

4. Zorgvuldigheidsplicht

58. De resultaten van de procedure voor het nakomen van de zorgvuldigheidsplicht op het gebied van duurzaamheid (in de hieronder genoemde internationale instrumenten aangeduid als „zorgvuldigheidsplicht”) worden meegenomen in de beoordeling van de wezenlijke effecten, risico's en kansen van de onderneming. De ESRS bevatten geen gedragsregels met betrekking tot zorgvuldigheid op het gebied van duurzaamheid; zij breiden de rol van de bestuurs-, leidinggevende of toezichthoudende organen van de onderneming met betrekking tot het uitoefenen van zorgvuldigheid niet uit en wijzigen deze evenmin.

59. De zorgplicht is het proces waarmee ondernemingen bepalen hoe zij omgaan met de feitelijke en potentiële negatieve effecten op het milieu en de mensen in verband met hun bedrijfsactiviteiten, deze voorkomen, verminderen en erover verantwoording afleggen. Deze negatieve effecten omvatten die welke verband houden met de eigen bedrijfsactiviteiten en de toeleverings- en afzetketen van de onderneming, ook via haar producten of diensten en via haar zakelijke relaties. Het zorgvuldigheidsbeginsel is een continu proces waarbij wordt gereageerd op veranderingen in de strategie, het bedrijfsmodel, de activiteiten, de zakelijke relaties, de bedrijfs-, inkoop- en verkoopcontext van de onderneming en dat dergelijke veranderingen kan teweegbrengen. Dit proces wordt beschreven in de internationale instrumenten van de leidende beginselen van de Verenigde Naties voor bedrijfsleven en mensenrechten en de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen.

60. In deze internationale instrumenten worden een aantal stappen van de procedure voor het nakomen van de zorgplicht genoemd, waaronder het identificeren en beoordelen van de negatieve effecten in verband met de bedrijfsactiviteiten en de toeleverings- en afzetketen van de onderneming, ook via haar producten of diensten en via haar zakelijke relaties. Als de onderneming niet alle effecten tegelijkertijd kan aanpakken, kan in het kader van het zorgvuldigheidsproces een prioritering van de maatregelen worden gemaakt op basis van de ernst en de waarschijnlijkheid van de effecten. Dit aspect van het zorgvuldigheidsproces wordt meegenomen in de beoordeling van de significante effecten (zie paragraaf 3.4 van deze norm). Het identificeren van significante effecten helpt ook bij het identificeren van significante risico's en kansen met betrekking tot duurzaamheid, die vaak het gevolg zijn van dergelijke effecten.

61. De kernelementen van zorgvuldigheid komen rechtstreeks tot uiting in de informatieverplichtingen die, zoals hieronder uiteengezet, zijn vastgelegd in ESRS 2 en in de thematische ESRS:

  • a) Integratie van zorgvuldigheid in governance, strategie en bedrijfsmodel. (3) De volgende standaarden hebben hier betrekking op:

    • i. ESRS 2 GOV-2: informatie en duurzaamheidsaspecten waarmee de bestuurs-, leidinggevende en toezichthoudende organen van de onderneming zich bezighouden,

    • ii. ESRS 2 GOV-3: integratie van duurzaamheidsgerelateerde prestaties in beloningssystemen, en

    • iii. ESRS 2 SBM-3: Wezenlijke effecten, risico's en kansen en hun wisselwerking met de strategie en

      bedrijfsmodel.

  • b) Betrokkenheid van belanghebbenden. (4) De volgende standaarden hebben hier betrekking op:

    • i. ESRS 2 GOV-2,

    • ii. ESRS 2 SBM-2: belangen en standpunten van belanghebbenden,

    • iii. ESRS 2 IRO-1,

    • iv. ESRS 2 MDR-P en

    • v. themagerelateerde ESRS: rekening houden met de verschillende fasen en doeleinden van de betrokkenheid van belanghebbenden tijdens het hele proces van zorgvuldigheid.

  • c) Identificatie en beoordeling van negatieve effecten op mens en milieu. (5) De volgende normen hebben hier betrekking op:

    • i. ESRS 2 IRO-1 (inclusief toepassingsvereisten met betrekking tot specifieke duurzaamheidsaspecten in de relevante ESRS) en

    • ii. ESRS 2 SBM-3.

  • d) Maatregelen om negatieve effecten op mens en milieu aan te pakken. (6) De volgende normen hebben hier betrekking op:

    • i. ESRS 2 MDR-A en

    • ii. themagerelateerde ESRS: rekening houden met het spectrum van maatregelen, inclusief overgangsplannen, waarmee de effecten moeten worden aangepakt.

  • e) Het volgen van de effectiviteit van deze inspanningen. (7) De volgende normen hebben hier betrekking op:

    • i. ESRS 2 MDR-M,

    • ii. ESRS 2 MDR-T en

    • iii. thematische ESRS: met betrekking tot indicatoren en doelstellingen.

5. Waardeketen

5.1 Rapporterende onderneming en waardeketen

62. De duurzaamheidsverklaring geldt voor dezelfde rapporterende onderneming als de jaarrekening. Als de rapporterende onderneming bijvoorbeeld een moedermaatschappij is die verplicht is een geconsolideerde jaarrekening op te stellen, geldt de duurzaamheidsverklaring voor de ondernemingsgroep. Deze vereiste geldt niet als de rapporterende onderneming geen jaarrekening hoeft op te stellen of als de rapporterende onderneming een geconsolideerde duurzaamheidsverslaglegging opstelt overeenkomstig artikel 48i van Richtlijn 2013/34/EU.

63. De informatie over de rapporterende onderneming in de duurzaamheidsverklaring wordt aangevuld met informatie over de wezenlijke effecten, risico's en kansen die verband houden met de onderneming door haar directe en indirecte zakelijke relaties in de toeleverings- en/of afzetketen (hierna „informatie over de waardeketen” genoemd). Bij het aanvullen van de informatie over de rapporterende onderneming houdt de onderneming rekening met de wezenlijke effecten, risico's en kansen in verband met haar toeleverings- en afzetketen:

  • a) rekening houdend met de resultaten van het due diligence-proces en de materialiteitsanalyse, en

  • b) in overeenstemming met alle specifieke vereisten van andere ESRS met betrekking tot de waardeketen.

64. Paragraaf 63 vereist geen informatie over elke afzonderlijke actor in de waardeketen, maar alleen de vermelding van essentiële informatie over de upstream- en downstream-waardeketen. Verschillende duurzaamheidsaspecten kunnen van belang zijn voor verschillende delen van de upstream- en downstream-waardeketen van de onderneming. Alleen informatie met betrekking tot de delen van de waardeketen waarvoor het aspect van belang is, hoeft te worden verstrekt.

65. De onderneming houdt rekening met essentiële informatie over de waardeketen wanneer dit nodig is om

  • a) gebruikers van duurzaamheidsverklaringen in staat te stellen de materiële effecten, risico's en kansen van de onderneming te begrijpen, en/of

  • b) informatie te genereren die voldoet aan de kwalitatieve kenmerken van informatie overeenkomstig bijlage B bij deze norm.

66. Wanneer de onderneming bepaalt op welk niveau (binnen haar eigen bedrijfsactiviteiten en haar toeleverings- en afzetketen) een materieel duurzaamheidsaspect aanwezig is, baseert zij zich op haar beoordeling van de effecten, risico's en kansen volgens het principe van dubbele materialiteit (zie hoofdstuk 3 van deze standaard).

67. Indien geassocieerde ondernemingen of joint ventures die volgens de equity-methode worden opgenomen in de balans of proportioneel worden geconsolideerd in de jaarrekening, deel uitmaken van de waardeketen van de onderneming (bijvoorbeeld als leveranciers), moet de onderneming informatie over deze geassocieerde ondernemingen of joint ventures verstrekken overeenkomstig alinea 63, in overeenstemming met de benadering voor de andere zakelijke relaties in de waardeketen. In dat geval zijn de gegevens van de geassocieerde onderneming of joint venture bij het vaststellen van impactcijfers niet beperkt tot de aangehouden aandelen, maar zijn ze gebaseerd op de effecten die verband houden met de zakelijke relaties van de onderneming met haar producten en diensten.

5.2 Schatting op basis van sectorgemiddelden en benaderingswaarden

68. Of de onderneming in staat is om de benodigde informatie over de toeleverings- en afzetketen te verkrijgen, kan afhangen van verschillende factoren, zoals de contractuele afspraken van de onderneming, de mate van controle die zij uitoefent over de activiteiten buiten de consolidatiekring en haar vraagmacht. Als de onderneming niet in staat is om de activiteiten in haar voor- en achterwaartse waardeketen en in het kader van haar zakelijke relaties te controleren, kan het moeilijker zijn om informatie over de waardeketen te verkrijgen.

69. In bepaalde omstandigheden kan de onderneming (zelfs na redelijke inspanningen) de informatie over haar toeleverings- en afzetketen niet verkrijgen overeenkomstig alinea 63. In dat geval schat de onderneming de te rapporteren informatie over haar toeleverings- en afzetketen door gebruik te maken van alle redelijke en betrouwbare informatie, zoals sectorale gemiddelde gegevens en andere benaderende waarden.

70. Het verkrijgen van informatie over de waardeketen kan een uitdaging zijn voor kmo's en andere ondernemingen in de upstream- en/of downstream-waardeketen die niet onder het toepassingsgebied van de duurzaamheidsverslaglegging vallen zoals voorgeschreven in de artikelen 19 bis en 29 bis van Richtlijn 2013/34/EU (zie ESRS 2 BP-2 Informatie in verband met specifieke omstandigheden).

71. Wat concepten, maatregelen en doelstellingen betreft, bevat de rapportage van de onderneming informatie over de upstream- en/of downstream-waardeketen, voor zover deze concepten, maatregelen en doelstellingen betrekking hebben op actoren in de waardeketen. Wat de indicatoren betreft, kan de onderneming in veel gevallen – met name op het gebied van milieukwesties waarvoor benaderende waarden beschikbaar zijn – aan de rapportageverplichtingen voldoen zonder gegevens te verzamelen van de actoren in haar toeleverings- en afzetketen (met name van kmo's), bijvoorbeeld bij de berekening van de scope 3-broeikasgasemissies van de onderneming.

72. Het gebruik van schattingen op basis van sectorgemiddelden of andere benaderende waarden mag er niet toe leiden dat de informatie niet voldoet aan de kwalitatieve kenmerken van informatie (zie hoofdstuk 2 en paragraaf 7.2 Bronnen voor schattingen en onzekerheid over de resultaten van deze standaard).

6. Tijdshorizonten

6.1 Verslagperiode

73. De verslagperiode voor de duurzaamheidsverklaring van de onderneming komt overeen met de verslagperiode voor de jaarrekening van de onderneming.

6.2 Verbinding tussen verleden, heden en toekomst

74. Indien van toepassing legt de onderneming in haar duurzaamheidsverslag passende verbanden tussen retrospectieve en toekomstgerichte informatie om een duidelijk inzicht te geven in hoe historische informatie verband houdt met toekomstgerichte informatie.

6.3 Rapportage over de voortgang ten opzichte van het referentiejaar

75. Een referentiejaar is het historische referentiepunt of de historische referentieperiode waarvoor informatie beschikbaar is en waarmee

de volgende informatie in de loop van de tijd kan worden vergeleken.

76. Bij het rapporteren over de ontwikkelingen en vorderingen met betrekking tot een doelstelling verstrekt de onderneming vergelijkende informatie voor het referentiejaar over de in de huidige periode gerapporteerde bedragen, tenzij in de relevante rapportageverplichting al is vastgelegd hoe over de vorderingen moet worden gerapporteerd. Bovendien kan de onderneming historische informatie verstrekken over de mijlpalen die tussen het basisjaar en de verslagperiode zijn bereikt, indien deze informatie relevant is.

6.4 Definitie van "korte, middellange en lange termijn" voor rapportagedoeleinden

77. Bij het opstellen van zijn duurzaamheidsverslag stelt de onderneming aan het einde van de verslagperiode de volgende

tijdsintervallen vast:

  • a) voor de korte termijn: de periode die de onderneming in haar jaarrekening als verslagperiode heeft gehanteerd,

  • b) voor de middellange termijn: vanaf het einde van de korte verslagperiode overeenkomstig punt a) tot vijf jaar, en

  • c) voor de lange termijn: meer dan vijf jaar.

78. De onderneming gebruikt een aanvullende uitsplitsing voor de lange termijn als er effecten of maatregelen te verwachten zijn in een periode van meer dan vijf jaar, indien dit nodig is om gebruikers van duurzaamheidsverklaringen relevante informatie te verstrekken.

79. Indien voor bepaalde elementen van de informatie in andere ESRS verschillende definities voor middellange- of langetermijnhorizons nodig zijn, prevaleren de definities in deze ESRS.

80. Er kunnen omstandigheden zijn waarin middellange- of langetermijnhorizons overeenkomstig paragraaf 77 tot niet-relevante informatie leiden, wanneer de onderneming i) verschillende definities hanteert voor haar procedures voor het identificeren en beheren van materiële effecten, risico's en kansen, of ii) voor het vaststellen van haar maatregelen en doelstellingen. Deze omstandigheden kunnen het gevolg zijn van sectorspecifieke kenmerken, zoals kasstromen en conjunctuurcycli, de verwachte duur van kapitaalinvesteringen, de tijdshorizonten waarin gebruikers van duurzaamheidsverklaringen hun beoordelingen uitvoeren, of de planningshorizonten die in de sector van de onderneming gewoonlijk worden gebruikt voor besluitvorming. In deze omstandigheden kan de onderneming een andere definitie hanteren voor middellange- en/of langetermijntijdhorizonnen (zie ESRS 2 BP–2, lid 9).

81. De termen "korte termijn", "middellange termijn" en "lange termijn" in ESRS verwijzen naar de tijdshorizon die de onderneming vaststelt overeenkomstig de bepalingen van de paragrafen 77 tot en met 80.

7. Opstelling en presentatie van duurzaamheidsinformatie

82. Dit hoofdstuk bevat algemene vereisten die in acht moeten worden genomen bij het opstellen en presenteren van duurzaamheidsinformatie

.

7.1 Presentatie van vergelijkende informatie

83. De onderneming verstrekt voor alle kwantitatieve indicatoren en geldbedragen die in de lopende periode worden vermeld, vergelijkende informatie over de vorige verslagperiode. Indien dit relevant is voor het begrip van de duurzaamheidsverklaring van de lopende periode, verstrekt de onderneming ook vergelijkende informatie voor beschrijvende gegevens.

84. Wanneer de onderneming vergelijkende informatie rapporteert die afwijkt van de in de voorgaande periode gerapporteerde informatie, moet zij het volgende vermelden:

  • a) het verschil tussen de in de voorgaande periode gerapporteerde cijfers en de gecorrigeerde vergelijkende cijfers, en

  • b) de redenen voor de aanpassing van de cijfers.

85. Het aanpassen van vergelijkende informatie voor een of meer voorgaande perioden om vergelijkbaarheid met de huidige periode te bereiken, kan in bepaalde omstandigheden niet haalbaar zijn. Zo is het mogelijk dat gegevens in de vorige verslagperiode(s) niet op een zodanige wijze zijn verzameld dat een nieuwe definitie van een maatstaf of doelstelling met terugwerkende kracht kan worden toegepast of dat een aanpassing met terugwerkende kracht kan worden doorgevoerd om een fout uit de vorige periode te corrigeren, en kan het onhaalbaar zijn om de informatie opnieuw op te stellen (zie ESRS 2 BP-2). Als het aanpassen van vergelijkende informatie voor een of meer eerdere perioden niet haalbaar is, vermeldt de onderneming dit feit.

86. Indien een ESRS bepaalt dat de onderneming meer dan één vergelijkingsperiode voor een indicator of gegevenspunt moet verstrekken, zijn de vereisten van die ESRS van toepassing.

7.2 Bronnen voor schattingen en onzekerheid over de resultaten

87. Als kwantitatieve indicatoren en geldbedragen, met inbegrip van informatie over de toeleveringsketen en de afzetmarkt (zie hoofdstuk 5 van deze standaard), niet direct kunnen worden gemeten en alleen kunnen worden geschat, kan dit leiden tot meetonzekerheid.

88. Een onderneming verstrekt informatie die gebruikers in staat stelt de belangrijkste onzekerheden te begrijpen die van invloed zijn op de kwantitatieve indicatoren en geldbedragen die in haar duurzaamheidsverslag worden vermeld.

89. Het gebruik van redelijke veronderstellingen en schattingen, met inbegrip van scenario- of gevoeligheidsanalyses, is een essentieel onderdeel van het opstellen van duurzaamheidsgerelateerde informatie en doet geen afbreuk aan de bruikbaarheid van deze informatie, mits de veronderstellingen en schattingen nauwkeurig worden beschreven en toegelicht. Zelfs een hoge mate van meetonzekerheid zou niet noodzakelijkerwijs betekenen dat dergelijke aannames of schattingen geen bruikbare informatie opleveren of niet voldoen aan de kwalitatieve kenmerken van de informatie (zie bijlage B bij deze standaard).

90. Gegevens en veronderstellingen die worden gebruikt bij het opstellen van de duurzaamheidsverklaring moeten zoveel mogelijk overeenkomen met de overeenkomstige financiële gegevens en veronderstellingen die in de jaarrekening van de onderneming worden gebruikt.

91. Sommige ESRS vereisen de vermelding van bepaalde informatie, bijvoorbeeld toelichtingen op mogelijke toekomstige gebeurtenissen met een onzekere uitkomst. Bij de beoordeling of informatie over dergelijke mogelijke toekomstige gebeurtenissen materieel is, baseert de onderneming zich op de criteria in hoofdstuk 3 van deze standaard en houdt zij rekening met het volgende:

  • a) de verwachte financiële effecten van de gebeurtenissen (de mogelijke gevolgen),

  • b) de ernst en waarschijnlijkheid van de gevolgen voor mens of milieu die voortvloeien uit de

    mogelijke gevolgen, rekening houdend met de in paragraaf 45 genoemde ernstfactoren, en

  • c) het totale spectrum van mogelijke gevolgen en de waarschijnlijkheid van de mogelijke gevolgen binnen dat spectrum.

92. Bij de beoordeling van de mogelijke gevolgen moet de onderneming rekening houden met alle relevante feiten en omstandigheden, met inbegrip van informatie over resultaten met een lage waarschijnlijkheid en met aanzienlijke gevolgen, die bij gezamenlijke beschouwing significant kunnen worden. De onderneming kan bijvoorbeeld worden blootgesteld aan meerdere gevolgen of risico's die allemaal hetzelfde soort verstoringen kunnen veroorzaken, zoals verstoringen in de toeleveringsketen van de onderneming. Informatie over een enkele risicobron is mogelijk niet materieel als verstoringen uit deze bron zeer onwaarschijnlijk zijn. Informatie over het totale risico van een verstoring van de toeleveringsketen uit alle bronnen kan echter wel materieel zijn (zie ESRS 2 BP-2).

7.3 Actualisering van informatie over gebeurtenissen na afloop van de verslagperiode

93. Het kan voorkomen dat de onderneming na de verslagperiode, maar vóór de goedkeuring van de publicatie van het jaarverslag, informatie ontvangt. Indien deze informatie bewijs of inzichten verschaft over de omstandigheden die aan het einde van de verslagperiode bestonden, actualiseert de onderneming indien nodig de schattingen en informatie over duurzaamheid, rekening houdend met de nieuwe informatie.

94. Indien deze informatie bewijs of inzichten verschaft over belangrijke transacties, andere gebeurtenissen en omstandigheden die zich na afloop van de verslagperiode voordoen, verstrekt de onderneming indien nodig toelichtende informatie waaruit het bestaan, de aard en de mogelijke gevolgen van deze gebeurtenissen blijken.

7.4 Wijzigingen in de opstelling of presentatie van duurzaamheidsinformatie

95. De definitie en berekening van de indicatoren, met inbegrip van de indicatoren die worden gebruikt om doelstellingen vast te stellen en de voortgang bij het bereiken van deze doelstellingen te monitoren, moeten in de loop van de tijd consistent zijn. De onderneming moet aangepaste vergelijkende cijfers verstrekken in de volgende gevallen, tenzij dit niet haalbaar is (zie ESRS 2 BP-2):

  • a) wanneer zij een indicator of doelstelling opnieuw heeft gedefinieerd of vervangen,

  • b) wanneer zij nieuwe informatie heeft verkregen met betrekking tot de in de voorgaande periode gerapporteerde ramingen en de nieuwe informatie bewijs levert voor omstandigheden die in die periode bestonden.

7.5 Fouten in de rapportage over eerdere verslagperioden

96. De onderneming corrigeert materiële fouten uit eerdere verslagperioden door de vergelijkende bedragen voor de periode(s) te vermelden, tenzij dit niet haalbaar is. Deze vereiste is niet van toepassing op verslagperioden vóór het eerste jaar waarin de onderneming de ESRS toepast.

97. Weglatingen en onjuiste vermeldingen in de duurzaamheidsverklaring van de onderneming voor een of meer eerdere perioden vormen fouten in eerdere verslagperioden. Dergelijke fouten vloeien voort uit het niet of onjuist gebruik van betrouwbare informatie

  • a) die beschikbaar was op het moment dat de publicatie van het jaarverslag met de duurzaamheidsverklaring voor deze periodes werd goedgekeurd, en

  • b) waarvan redelijkerwijs kon worden verwacht dat ze in aanmerking zouden worden genomen bij het opstellen van de duurzaamheidsgerelateerde informatie in deze verslagen.

98. Tot deze fouten behoren: de gevolgen van rekenfouten, fouten bij de toepassing van definities voor kengetallen of doelstellingen, het over het hoofd zien of verkeerd interpreteren van feiten, en fraude.

99. Potentiële fouten in de huidige verslagperiode die tijdens deze periode aan het licht komen, moeten worden gecorrigeerd voordat het jaarverslag wordt goedgekeurd. Soms worden echter pas in latere verslagperioden materiële fouten ontdekt.

100. Als het niet haalbaar is om de gevolgen van een fout voor alle voorgaande perioden te bepalen, geeft de onderneming de vergelijkende informatie opnieuw weer om de fout vanaf het vroegst mogelijke tijdstip te corrigeren. Bij het corrigeren van informatie over een eerdere periode maakt de onderneming geen achteraf gemaakte veronderstellingen, noch over de intenties van het management in een eerdere periode, noch over de schatting van de in een eerdere periode gerapporteerde bedragen. Deze vereiste geldt voor zowel retrospectieve als prospectieve informatie.

101. Correcties van fouten moeten worden onderscheiden van wijzigingen in schattingen. Schattingen moeten mogelijk worden herzien wanneer er aanvullende informatie beschikbaar komt (zie ESRS 2 BP-2).

7.6 Geconsolideerde verslaglegging en vrijstelling van dochterondernemingen

102. Wanneer de onderneming op geconsolideerde basis rapporteert, beoordeelt zij de materiële effecten, risico's en kansen voor de gehele geconsolideerde groep, ongeacht de juridische structuur van de groep. Zij zorgt ervoor dat alle dochterondernemingen op zodanige wijze in aanmerking worden genomen dat materiële effecten, risico's en kansen op onbevooroordeelde wijze kunnen worden vastgesteld. De criteria en drempels op basis waarvan effecten, risico's of kansen als wezenlijk worden beoordeeld, moeten worden vastgesteld op basis van hoofdstuk 3 van deze standaard.

103. Indien de onderneming significante verschillen constateert tussen de significante effecten, risico's of kansen op groepsniveau en de significante effecten, risico's of kansen van een of meer van haar dochterondernemingen, geeft de onderneming een passende beschrijving van de effecten, risico's en kansen van de betreffende dochteronderneming(en).

104. Wanneer de onderneming beoordeelt of de verschillen tussen de materiële effecten, risico's of kansen op groepsniveau en de materiële effecten, risico's of kansen van een of meer van haar dochterondernemingen significant zijn, kan zij rekening houden met verschillende omstandigheden, bijvoorbeeld of de dochteronderneming(en) actief is/zijn in een andere sector dan de rest van de groep, of dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheden die worden genoemd in paragraaf 3.7 Mate van uitsplitsing.

7.7 Geclassificeerde en vertrouwelijke informatie en informatie over intellectuele eigendom, knowhow of innovatieve resultaten

105. De onderneming is niet verplicht om geheime of vertrouwelijke informatie te verstrekken, zelfs als deze als wezenlijk wordt beschouwd.

106. Bij het verstrekken van informatie over haar strategieën, plannen en maatregelen kan de onderneming, indien bepaalde informatie met betrekking tot intellectuele eigendom, knowhow of innovaties relevant is voor het bereiken van het doel van een openbaarmakingsverplichting, deze informatie niettemin weglaten indien

  • a) deze geheim is in die zin dat deze noch in zijn geheel, noch in de precieze volgorde en samenstelling van de onderdelen ervan algemeen bekend is of zonder meer toegankelijk is voor personen in de kringen die gewoonlijk met dit soort informatie omgaan,

  • b) zij commerciële waarde heeft omdat zij geheim is, en

  • c) de onderneming passende maatregelen heeft genomen om deze geheim te houden.

107. Indien de onderneming geheime of vertrouwelijke informatie of bepaalde informatie met betrekking tot intellectuele eigendom, knowhow of innovatieresultaten weglaat omdat deze voldoet aan de in de vorige alinea genoemde criteria, moet de onderneming aan de betreffende informatieverplichting voldoen door alle andere informatie te verstrekken.

108. De onderneming doet al het redelijke om ervoor te zorgen dat, afgezien van het weglaten van de geheime of vertrouwelijke informatie of de specifieke informatie die betrekking heeft op intellectuele eigendom, knowhow of innovatieresultaten, de algehele relevantie van de betreffende informatie niet wordt aangetast.

7.8 Verslaglegging over kansen

109. Bij de rapportage over kansen moet de informatie bestaan uit beschrijvende informatie die de lezer in staat stelt de kansen voor de onderneming of de hele sector te begrijpen. Bij de rapportage over kansen moet de onderneming rekening houden met de materialiteit van de te verstrekken informatie. In dit verband moet zij onder meer rekening houden met

  • a) of de kans momenteel wordt benut en in zijn algemene strategie wordt opgenomen, of dat het een algemene kans voor de onderneming of de sector betreft, en

  • b) of het passend is om kwantitatieve metingen van de verwachte financiële effecten op te nemen, rekening houdend met het aantal aannames dat nodig kan zijn en de daaruit voortvloeiende onzekerheid.

8. Opbouw van de duurzaamheidsverklaring

110. In dit hoofdstuk worden de grondslagen beschreven voor de presentatie van informatie over duurzaamheidsaspecten (d.w.z. de duurzaamheidsverklaring) die wordt opgesteld in overeenstemming met de artikelen 19 bis en 29 bis van Richtlijn 2013/34/EU en in het kader van het jaarverslag van de onderneming. Deze informatie wordt opgenomen in een afzonderlijk deel van het jaarverslag met de titel "duurzaamheidsverklaring". Bijlage F Voorbeeld van de opbouw van de ESRS-duurzaamheidsverklaring Deze standaard bevat een duidelijk voorbeeld van een duurzaamheidsverklaring die is gestructureerd volgens de vereisten van dit hoofdstuk.

8.1 Algemene vereisten voor de presentatie

111. Bij de presentatie van duurzaamheidsinformatie moet rekening worden gehouden met het volgende:

  • a) informatie die vereist is op grond van de rapportageverplichtingen van de ESRS en andere informatie in het jaarverslag moet kunnen worden onderscheiden, en

  • b) de structuur moet de toegang tot de duurzaamheidsverklaring en de begrijpelijkheid ervan zowel in mens- als in machineleesbare vorm vergemakkelijken.

8.2 Inhoud en opbouw van de duurzaamheidsverklaring

112. Met uitzondering van de mogelijkheid om informatie op te nemen door middel van een verwijzing overeenkomstig paragraaf 9.1 Opname van informatie door middel van een verwijzing van deze standaard, vermeldt de onderneming alle informatie die volgens de ESRS overeenkomstig hoofdstuk 1 van deze standaard vereist is, in een aparte paragraaf van het jaarverslag.

113. De onderneming neemt de informatie op in haar duurzaamheidsverklaring overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad (8) en overeenkomstig de gedelegeerde verordeningen van de Commissie waarin de inhoud en andere modaliteiten van deze informatie worden vastgesteld. De onderneming zorgt ervoor dat deze informatie afzonderlijk herkenbaar is in de duurzaamheidsverklaring. De informatie over elk van de milieudoelstellingen die in de taxonomieverordening zijn vastgelegd, wordt samen weergegeven in een duidelijk herkenbaar deel van het milieugedeelte van de duurzaamheidsverklaring. Deze informatie valt niet onder de bepalingen van de ESRS, met uitzondering van deze paragraaf en de eerste zin van paragraaf 115 van deze standaard.

114. Als de onderneming aanvullende informatie in haar duurzaamheidsverslag opneemt die voortvloeit uit i) andere wetgeving die de onderneming verplicht tot het verstrekken van duurzaamheidsinformatie, of ii) algemeen aanvaarde normen en kaders voor duurzaamheidsverslaggeving, met inbegrip van niet-bindende richtsnoeren en sectorspecifieke richtsnoeren die door andere normbepalende instanties zijn gepubliceerd (bijvoorbeeld technisch materiaal van de International Sustainability Standards Board of het Global Reporting Initiative), geldt voor deze informatie het volgende:

  • a) zij moeten duidelijk worden geïdentificeerd met een passende verwijzing naar de relevante wetgeving, normen of kaders (zie ESRS 2 BP-2, lid 15);

  • b) zij voldoen aan de vereisten inzake kwalitatieve kenmerken van informatie overeenkomstig hoofdstuk 2 en bijlage B van deze norm.

115. De onderneming verdeelt haar duurzaamheidsverslag in vier delen in de volgende volgorde: algemene informatie, milieu-informatie (met inbegrip van informatie overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EU) 2020/852), sociale informatie en governance-informatie. Met inachtneming van de bepalingen in paragraaf 3.6 Wezenlijke effecten of risico's die voortvloeien uit maatregelen om duurzaamheidsaspecten aan te pakken van deze standaard, kan de onderneming, indien de in een deel verstrekte informatie ook informatie omvat die in een ander deel moet worden verstrekt, in een deel verwijzen naar de informatie in een ander deel om doublures te voorkomen. De onderneming kan de structuur toepassen die in bijlage F bij deze standaard in detail wordt beschreven.

116. De informatie die volgens de sectorspecifieke ESRS moet worden verstrekt, wordt gegroepeerd per rapportagegebied en, indien van toepassing, per duurzaamheidsthema. Deze informatie wordt gepresenteerd samen met de informatie die vereist is volgens ESRS 2 en de relevante themagerelateerde ESRS.

117. Wanneer de onderneming materiële bedrijfsspecifieke informatie opstelt overeenkomstig paragraaf 11, verstrekt zij deze informatie samen met de meest relevante sectoronafhankelijke en sectorspecifieke informatie.

9. Koppelingen met andere delen van de bedrijfsrapportage en daarmee verband houdende informatie

118. De onderneming verstrekt informatie die de gebruikers van haar duurzaamheidsverslag in staat stelt de verbanden te begrijpen tussen de verschillende informatie in het verslag en tussen de informatie in het duurzaamheidsverslag en andere informatie die de onderneming in andere delen van haar bedrijfsverslaggeving verstrekt.

9.1 Opname van informatie door middel van verwijzing

119. Op voorwaarde dat aan de in paragraaf 120 genoemde voorwaarden is voldaan, kan informatie die verplicht is op grond van een ESRS-verslaggevingsvereiste, met inbegrip van een specifiek gegevenspunt dat in een verslaggevingsvereiste is voorgeschreven, in de duurzaamheidsverklaring worden opgenomen door te verwijzen naar:

  • a) een ander deel van het managementverslag,

  • b) de jaarrekening,

  • c) het verslag over corporate governance (indien dit geen deel uitmaakt van het jaarverslag),

  • d) het remuneratieverslag dat vereist is krachtens Richtlijn 2007/36/EG van het Europees Parlement en de Raad(9),

  • e) het uniforme registratieformulier overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) 2017/1129 (10) en

  • f) openbaarmakingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (openbaarmakingen overeenkomstig pijler 3).(11) Indien de onderneming informatie opneemt door middel van een verwijzing naar de openbaarmakingen overeenkomstig pijler 3, zorgt zij ervoor dat de informatie overeenkomt met de consolidatiekring die voor de duurzaamheidsverklaring wordt gebruikt, door de opgenomen informatie indien nodig aan te vullen met aanvullende elementen.

120. De onderneming kan informatie opnemen door te verwijzen naar de in lid 119 genoemde documenten of delen daarvan, mits de door middel van verwijzing opgenomen informatie

  • a) een afzonderlijk informatie-element vormen en in het betreffende document duidelijk wordt aangegeven dat zij betrekking hebben op de relevante informatieverplichting of het relevante specifieke gegevenspunt dat in een informatieverplichting is voorgeschreven,

  • b) vóór of gelijktijdig met het managementverslag worden gepubliceerd,

  • c) in dezelfde taal zijn opgesteld als de duurzaamheidsverklaring,

  • d) ten minste dezelfde controlezekerheid bieden als de duurzaamheidsverklaring, en

  • e) voldoen aan dezelfde technische digitaliseringsvereisten als de duurzaamheidsverklaring.

121. Als aan de in lid 120 genoemde voorwaarden is voldaan, kan informatie die op grond van een ESRS-verslaggevingsverplichting vereist is (met inbegrip van een specifiek gegevenspunt dat op grond van een verslaggevingsverplichting vereist is), worden opgenomen in de duurzaamheidsverklaring door middel van een verwijzing naar het verslag van de onderneming dat is opgesteld overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1221/2009 betreffende het Europees systeem voor milieubeheer en milieuaudits (EMAS) (12) wordt opgesteld, in de duurzaamheidsverklaring worden opgenomen. In dat geval zorgt de onderneming ervoor dat de door middel van verwijzing opgenomen informatie op dezelfde basis wordt opgesteld als de ESRS-informatie, met inbegrip van de consolidatiekring en de behandeling van informatie over de waardeketen.

122. Bij het opstellen van zijn duurzaamheidsverslag met gebruikmaking van opnames door middel van verwijzing moet de onderneming letten op de samenhang van de gerapporteerde informatie en ervoor zorgen dat de leesbaarheid van het duurzaamheidsverslag niet wordt aangetast door de opname door middel van verwijzing. Bijlage G Voorbeeld van de opname van informatie door middel van verwijzing Deze standaard bevat een duidelijk voorbeeld van een opname door middel van verwijzing (zie ESRS 2 BP-2).

9.2 Gerelateerde informatie en koppeling met de jaarrekening

123. De onderneming beschrijft de relaties tussen verschillende soorten informatie. Hiervoor kan het nodig zijn om toelichtende informatie over governance, strategieën en risicobeheer te koppelen aan relevante indicatoren en doelstellingen. Om bijvoorbeeld samenhangende informatie te verstrekken, moet de onderneming mogelijk de effecten of de waarschijnlijke effecten van haar strategie op haar jaarrekening of financiële plannen toelichten of uitleggen in hoeverre haar strategie verband houdt met de kengetallen en doelstellingen die zijn gebruikt om de voortgang ten opzichte van de prestaties te meten. Bovendien moet de onderneming, indien van toepassing, toelichten hoe haar gebruik van natuurlijke hulpbronnen en veranderingen binnen haar toeleveringsketen haar materiële effecten, risico's en kansen kunnen versterken, veranderen of verminderen. Zij moet deze informatie mogelijk koppelen aan informatie over de huidige of verwachte financiële effecten op haar productiekosten, haar strategische reactie om dergelijke effecten of risico's te beperken en haar daarmee samenhangende investeringen in nieuwe activa. Bovendien moet de onderneming, indien van toepassing, beschrijvende informatie koppelen aan de relevante indicatoren en doelstellingen en aan de informatie in de jaarrekening. Informatie die verbanden beschrijft, moet duidelijk en nauwkeurig zijn.

124. Als de duurzaamheidsverklaring geldbedragen of andere kwantitatieve gegevens bevat die boven een materialiteitsdrempel liggen en in de jaarrekening worden weergegeven (direct verband tussen de informatie in de duurzaamheidsverklaring en de informatie in de jaarrekening), neemt de onderneming een verwijzing op naar de betreffende paragraaf van haar jaarrekening waarin de relevante informatie te vinden is.

125. De duurzaamheidsverklaring kan geldbedragen of andere kwantitatieve gegevens bevatten die boven een materialiteitsdrempel liggen en die ofwel een aggregatie of een deel van geldbedragen zijn, ofwel kwantitatieve gegevens die in de jaarrekening van de onderneming worden weergegeven (indirect verband tussen de informatie in de duurzaamheidsverklaring en de informatie in de jaarrekening). In dat geval legt de onderneming uit in welke verhouding deze geldbedragen of gegevenspunten in de duurzaamheidsverklaring staan tot de meest relevante bedragen die in de jaarrekening worden vermeld. Deze informatie bevat een verwijzing naar de post en/of de relevante paragrafen van haar jaarrekening waarin de betreffende informatie te vinden is. Indien nodig kan een vergelijking worden gepresenteerd, die in tabelvorm kan worden weergegeven.

126. Voor informatie die niet onder de paragrafen 124 en 125 valt, legt de onderneming op basis van een materialiteitsdrempel uit in hoeverre de significante gegevens, aannames en kwalitatieve informatie in haar duurzaamheidsverslag overeenkomen met de overeenkomstige gegevens, aannames en kwalitatieve informatie in de jaarrekening. Dit kan het geval zijn wanneer het duurzaamheidsverslag het volgende bevat:

  • a) geldbedragen of andere kwantitatieve gegevens in verband met geldbedragen of andere kwantitatieve gegevens die in de jaarrekening zijn opgenomen, of

  • b) kwalitatieve informatie die verband houdt met kwalitatieve informatie in de jaarrekening.

127. De overeenkomst die vereist is volgens alinea 126 heeft betrekking op het niveau van een afzonderlijk gegevenspunt en er moet worden verwezen naar de overeenkomstige post of paragraaf in de toelichting bij de jaarrekening. Indien materiële gegevens, veronderstellingen en kwalitatieve informatie niet consistent zijn, vermeldt de onderneming dit en geeft zij de reden hiervoor.

128. Een toelichting overeenkomstig paragraaf 126 is bijvoorbeeld vereist

  • a) wanneer op de balansdatum hetzelfde cijfer wordt weergegeven in de jaarrekening en als prognose voor toekomstige verslagperioden in de duurzaamheidsverklaring, en

  • b) wanneer macro-economische of zakelijke prognoses worden gebruikt om indicatoren in de duurzaamheidsverklaring te ontwikkelen en deze ook relevant zijn voor de schatting van het realiseerbare bedrag van activa, het bedrag van de verplichtingen of de voorzieningen in de jaarrekening.

129. Thematische en sectorspecifieke ESRS kunnen vereisten bevatten om afstemmingen op te nemen of om de overeenstemming van gegevens en aannames voor bepaalde informatievereisten te illustreren. In dergelijke gevallen hebben de vereisten van deze ESRS voorrang.

10 Overgangsbepalingen

10.1 Overgangsbepaling met betrekking tot bedrijfsspecifieke informatie

130. Verwacht wordt dat de mate waarin duurzaamheidsaspecten door ESRS worden gedekt, zal toenemen naarmate er meer informatievereisten worden geformuleerd. Daarom zal de behoefte aan bedrijfsspecifieke informatie in de loop van de tijd waarschijnlijk afnemen, vooral als er in de toekomst sectorspecifieke normen worden aangenomen.

131. Bij het vaststellen van zijn bedrijfsspecifieke informatie kan het bedrijf in de eerste drie jaarlijkse duurzaamheidsverslagen overgangsmaatregelen nemen met betrekking tot het opstellen van deze informatie, waarbij prioriteit moet worden gegeven aan het volgende:

  • a) het opnemen in de rapportage van de onderneming van de bedrijfsspecifieke informatie die zij in eerdere verslagperioden heeft verstrekt, indien deze informatie voldoet aan de kwalitatieve kenmerken van de in hoofdstuk 2 van deze norm genoemde informatie of daaraan is aangepast, en

  • b) het aanvullen van zijn informatie, die is opgesteld op basis van de thematische ESRS, met passende aanvullende informatie over duurzaamheidsaspecten die voor de onderneming in haar sector(en) van wezenlijk belang zijn, waarbij gebruik wordt gemaakt van de beschikbare beste praktijken en/of beschikbare kaders of rapportagestandaarden, zoals op de sector gebaseerde IFRS-materiaal en de GRI-sectorstandaarden.

10.2 Overgangsbepaling met betrekking tot hoofdstuk 5 "Waardeketen"

132. Indien in de eerste drie jaar van de duurzaamheidsverslaglegging van de onderneming in het kader van het ESRS niet alle vereiste informatie over haar toeleverings- en afzetketen beschikbaar is, licht de onderneming toe welke inspanningen zij heeft geleverd om de vereiste informatie over haar toeleverings- en afzetketen te verkrijgen, waarom deze informatie niet kon worden verkregen en de plannen van de onderneming om deze informatie in de toekomst te verkrijgen.

133. Om rekening te houden met de moeilijkheden die ondernemingen kunnen ondervinden bij het verkrijgen van informatie van actoren in hun gehele waardeketen en om de lasten voor kmo's in de waardeketen te beperken, geldt het volgende voor de eerste drie jaar van duurzaamheidsverslaggeving in het kader van het ESRS:

  • a) bij het verstrekken van informatie over concepten, maatregelen en doelstellingen in overeenstemming met ESRS 2 en andere ESRS kan de onderneming informatie over de upstream- en downstream-waardeketen beperken tot intern beschikbare informatie, zoals gegevens waarover de onderneming reeds beschikt, en openbaar beschikbare informatie, en

  • b) bij het verstrekken van indicatoren hoeft de onderneming geen informatie over de toeleveringsketen en de afzetmarkt te verstrekken, met uitzondering van gegevens die voortvloeien uit andere EU-wetgeving die is opgenomen in bijlage B bij ESRS 2.

134. De leden 132 en 133 zijn van toepassing ongeacht of de relevante actor in de waardeketen een kmo is.

135. Vanaf het vierde jaar van zijn rapportage in het kader van de ESRS neemt de onderneming informatie op over de upstream- en/of downstream-waardeketen overeenkomstig paragraaf 63. In dit verband gaat de informatie die volgens de ESRS vereist is en die moet worden verzameld bij kmo's in de upstream- en/of downstream-waardeketen van de onderneming, niet verder dan de inhoud van de toekomstige ESRS voor beursgenoteerde kmo's.

10.3 Overgangsbepaling met betrekking tot paragraaf 7.1 "Presentatie van vergelijkende informatie"

136. Om de eerste toepassing van deze standaard te vergemakkelijken, is de onderneming in het eerste jaar van het opstellen van de duurzaamheidsverklaring in het kader van het ESRS niet verplicht om de vergelijkende informatie te verstrekken die vereist is volgens paragraaf 7.1 Weergave van vergelijkende informatie. Voor de informatievereisten die zijn opgenomen in bijlage C Lijst van geleidelijk ingevoerde informatievereisten geldt deze overgangsbepaling met betrekking tot het eerste jaar van de verplichte toepassing van de geleidelijk ingevoerde informatievereiste.

10.4 Overgangsbepaling: lijst van informatieverplichtingen die geleidelijk worden ingevoerd

137. Bijlage C Lijst van geleidelijk ingevoerde informatieverplichtingen van deze standaard bevat bepalingen voor geleidelijk ingevoerde informatieverplichtingen of gegevenspunten van de informatieverplichtingen in ESRS, die in het eerste jaar of in de eerste jaren van het opstellen van de duurzaamheidsverklaring in het kader van ESRS kunnen worden weggelaten of niet van toepassing zijn.

Bronnen

(1) Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening en de bijbehorende verslagen van bepaalde vennootschapsvormen en tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).

(2) Richtlijn (EU) 2022/2464 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 537/2014 en Richtlijnen 2004/109/EG, 2006/43/EG en 2013/34/EU wat betreft duurzaamheidsverslaggeving door ondernemingen (PB L 322 van 16.12.2022, blz. 15).

(3) 16. leidende beginsel van de Verenigde Naties en het bijbehorende commentaar, interpretatiegids van de Verenigde Naties, vragen 21 en 25, alsmede de OESO-richtlijnen, hoofdstuk II over het algemene beleid (paragraaf A.10) en hoofdstuk IV over mensenrechten (paragraaf 4 en punt 44 van het commentaar) en de OESO-richtlijnen inzake zorgvuldigheid, sectie II (1.1 en 1.2) en vragen 14 en 15 in de bijlage.

(4) 18. Leidend beginsel van de Verenigde Naties en het bijbehorende commentaar, 20. Leidend beginsel van de Verenigde Naties, commentaar op het 21e en 29e Leidend beginsel van de Verenigde Naties en 31. Leidend beginsel van de Verenigde Naties, letter h, en het bijbehorende commentaar, interpretatiegids van de Verenigde Naties, vragen 30, 33, 42 en 76, alsmede OESO-richtlijnen hoofdstuk II over het algemene beleid (paragraaf A.14 en paragraaf 25 van het commentaar) en OESO-richtlijnen voor het nakomen van de zorgplicht, paragraaf II (2.1.c, 2.3, 2.4.a, 3.1.b en 3.1.f) en vragen 8-11 in de bijlage.

(5) 17e, 18e en 24e leidraad van de Verenigde Naties en de bijbehorende commentaren en het commentaar op de 29e leidraad van de Verenigde Naties, de interpretatieve richtsnoeren van de Verenigde Naties, vragen 9, 12, 13, 27, 28, 36-42 en 85-89, en de OESO-richtlijnen hoofdstuk II over het algemeen beleid (paragrafen A.10 en A.11 en paragraaf 14 van het commentaar) en hoofdstuk IV over mensenrechten (paragrafen 1 en 2 en paragrafen 41-43 van het commentaar) en de OESO-richtlijnen voor het nakomen van de zorgplicht, sectie II (2.1–2.4) en vragen 3–5 en 19–31 in de bijlage).

(6) 19e, 22e en 23e leidende beginselen van de Verenigde Naties en de bijbehorende commentaren en de interpretatieve gids van de Verenigde Naties, vragen 11, 32, 46, 47, 64-68, 82 en 83, alsmede de OESO-richtlijnen, hoofdstuk II over het algemeen beleid (paragraaf A.12 en alinea's 18-22 van het commentaar) en hoofdstuk IV over mensenrechten (paragraaf 3 en alinea's 42 en 43 van het commentaar), alsmede de OESO-richtlijnen inzake het nakomen van de zorgplicht, deel II (3.1 en 3.2), en vragen 32-40 in de bijlage.

(7) 20. leidende beginsel van de Verenigde Naties en 31e leidende beginsel van de Verenigde Naties, letter g, alsmede de bijbehorende commentaren en interpretatieve richtsnoeren van de Verenigde Naties, vragen 49-53 en 80, en de OESO-richtlijnen inzake zorgvuldigheid, sectie II (4.1 en 5.1), en vragen 41-47 in de bijlage.

(8) Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 tot vaststelling van een kader ter bevordering van duurzame investeringen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).

(9) Richtlijn 2007/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende de uitoefening van bepaalde rechten van aandeelhouders in beursgenoteerde vennootschappen (PB L 184 van 14.7.2007, blz. 17).

(10) Verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten worden aangeboden aan het publiek of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten, en tot intrekking van Richtlijn 2003/71/EG (PB L 168 van 30.6.2017, blz. 12).

(11) Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

(12) Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 761/2001 en de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie (PB L 342 van 22.12.2009, blz. 1).

Dit artikel is machinaal vertaald. Bij fouten kunt u contact opnemen met [email protected].

Was dit een antwoord op uw vraag?