Naar de hoofdinhoud

E4-1 – Transitieplan en aandacht voor biologische diversiteit en ecosystemen in strategie en bedrijfsmodel

Deze week bijgewerkt

ESRS-norm

11. De onderneming moet aangeven in hoeverre haar effecten, afhankelijkheden, risico's en kansen in verband met biodiversiteit en ecosystemen voortvloeien uit en aanleiding geven tot de aanpassing van haar strategie en bedrijfsmodel.

12. Het doel van deze informatieverplichting is inzicht te verschaffen in de veerkracht van de strategie en het bedrijfsmodel van de onderneming met betrekking tot biodiversiteit en ecosystemen, en in de verenigbaarheid van de strategie en het bedrijfsmodel van de onderneming met de relevante lokale, nationale en mondiale beleidsdoelstellingen op het gebied van biodiversiteit en ecosystemen.

13. De onderneming beschrijft de veerkracht van haar strategie en bedrijfsmodel met betrekking tot biodiversiteit en ecosystemen. De beschrijving omvat het volgende:

  • a) een beoordeling van de veerkracht van het huidige bedrijfsmodel en de strategie ten aanzien van fysieke risico's, transitierisico's en systeemrisico's in verband met biodiversiteit en ecosystemen,

  • b) de reikwijdte van de veerkrachtanalyse met betrekking tot de eigen activiteiten van de onderneming en haar toeleverings- en afzetketen, alsook met betrekking tot de risico's die in deze analyse in aanmerking worden genomen,

  • c) de belangrijkste aannames,

  • d) de gebruikte tijdshorizonten,

  • e) de resultaten van de veerkrachtanalyse, en

  • f) de betrokkenheid van belanghebbenden, indien van toepassing met inbegrip van personen met inheemse en lokale kennis.

14. Indien de in deze informatieverplichting genoemde informatie door de onderneming wordt verstrekt als onderdeel van de informatie die vereist is overeenkomstig ESRS 2 SBM-3, kan de onderneming verwijzen naar de informatie die zij in het kader van ESRS 2 SBM-3 heeft verstrekt.

15. De onderneming kan haar transitieplan vermelden om haar bedrijfsmodel en strategie in overeenstemming te brengen met de visie van het mondiale biodiversiteitskader van Kunming-Montreal en de relevante doelstellingen en streefcijfers daarvan, de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 en de eerbiediging van de grenzen van de draagkracht van de planeet in verband met de integriteit van de biosfeer en de verandering van het landsysteem in overeenstemming te brengen en uiteindelijk te verwezenlijken.


Toepassingsvereisten (AR)

AR 1. Bij het specificeren van zijn transitieplan kan het bedrijf:

  • a) uitleggen hoe het zijn strategie en bedrijfsmodel zal aanpassen om de relevante lokale, nationale en mondiale beleidsdoelstellingen en -richtsnoeren met betrekking tot biodiversiteit en ecosystemen te verbeteren en uiteindelijk in overeenstemming te brengen met deze doelstellingen en richtsnoeren, met inbegrip van de visie van het mondiale biodiversiteitskader van Kunming-Montreal en de relevante doelstellingen en richtsnoeren daarvan, de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 en de Richtlijnen 2009/147/EG en 92/43/EEG (EU-richtlijnen inzake de bescherming van vogels en habitats) en, indien van toepassing, de grenzen van de draagkracht van de planeet in verband met de integriteit van de biosfeer en de verandering van het landsysteem,

  • b) informatie over haar eigen activiteiten opnemen en toelichten hoe zij reageert op de significante effecten binnen haar toeleverings- en afzetketen die zijn vastgesteld in het kader van haar materialiteitsanalyse overeenkomstig ESRS 2 IRO-1 Beschrijving van de procedures voor het identificeren en beoordelen van de significante effecten, risico's en kansen,

  • c) uitleggen hoe haar strategie samenwerkt met haar transitieplan,

  • d) zijn bijdrage aan de factoren die van invloed zijn op de biodiversiteit en ecosystemen en zijn mogelijke corrigerende maatregelen in overeenstemming met de hiërarchie van corrigerende maatregelen, alsmede de belangrijkste padafhankelijkheden en gebonden activa en hulpbronnen (bijvoorbeeld planten, grondstoffen) die verband houden met veranderingen in de biodiversiteit en ecosystemen, toelichten,

  • e) een toelichting en kwantificering geven van de investeringen en financiële middelen van de onderneming ter ondersteuning van de uitvoering van haar transitieplan, onder verwijzing naar de kernprestatie-indicatoren van de taxonomieconforme CapEx en, indien van toepassing, de CapEx-plannen die de onderneming heeft opgesteld overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 van de Commissie,

  • f) indien zij economische activiteiten uitoefent die onder de gedelegeerde verordeningen inzake biodiversiteit overeenkomstig de taxonomieverordening vallen, alle doelstellingen of plannen (CapEx, CapEx-plannen) toelichten die zij heeft om haar economische activiteiten (omzet, CapEx) aan te passen aan de criteria die in deze gedelegeerde verordeningen zijn vastgelegd,

  • g) uitleggen hoe compenserende maatregelen worden ingezet als onderdeel van het transitieplan en, indien dit het geval is, aangeven waar compenserende maatregelen zullen worden ingezet, in welke mate dit zal gebeuren in verhouding tot het transitieplan als geheel en of rekening is gehouden met de hiërarchie van corrigerende maatregelen;

  • h) uitleggen hoe het proces van uitvoering en actualisering van het transitieplan wordt beheerd,

  • i) uitleggen hoe het de voortgang meet, en met name de daarvoor gebruikte indicatoren en methoden vermelden,

  • j) aangeven of de bestuurs-, leidinggevende en toezichthoudende organen het transitieplan hebben goedgekeurd, en

  • k) de huidige uitdagingen en beperkingen bij het opstellen van een plan met betrekking tot de gebieden met aanzienlijke effecten vermelden en toelichten hoe de onderneming deze uitdagingen aanpakt.

AR 2. Bij het verstrekken van een transitieplan kan de onderneming bijvoorbeeld verwijzen naar de volgende doelstellingen van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030:

  • a) De achteruitgang van bestuivers moet worden gekeerd.

  • b) Het risico en het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen moet met 50 % worden verminderd en het gebruik van gevaarlijkere bestrijdingsmiddelen eveneens met 50 %.

  • c) Ten minste 25 % van de landbouwgrond moet ecologisch/biologisch worden beheerd en het gebruik van agro-ecologische methoden moet aanzienlijk worden uitgebreid.

  • d) Er moeten drie miljard nieuwe bomen worden aangeplant in de EU, met volledige inachtneming van de ecologische beginselen.

  • e) Er moet aanzienlijke vooruitgang worden geboekt bij de sanering van verontreinigde bodems.

  • f) Ten minste 25 000 kilometer rivier moet worden hersteld als vrij stromende rivier.

  • g) Het verlies van nutriënten uit meststoffen moet met 50 % worden verminderd, wat zal leiden tot een vermindering van het gebruik van meststoffen met ten minste 20 %.

  • h) De negatieve effecten op kwetsbare soorten en habitats, ook door visserij en winning op de zeebodem, moeten aanzienlijk worden verminderd om een goede milieutoestand te bereiken.

AR 3. Bij het aangeven van een transitieplan kan de onderneming ook verwijzen naar de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen, met name de volgende:

  • a) SDG 2 – Een einde maken aan honger, voedselzekerheid en betere voeding bereiken en duurzame landbouw bevorderen,

  • b) SDG 6 – Beschikbaarheid en duurzaam beheer van water en sanitaire voorzieningen voor iedereen garanderen,

  • c) SDG 14 – Oceaan, zeeën en mariene hulpbronnen in stand houden en duurzaam gebruiken met het oog op duurzame ontwikkeling, en

  • d) SDG 15 – Landecosystemen beschermen, herstellen en hun duurzaam gebruik bevorderen, bossen duurzaam beheren, woestijnvorming bestrijden, landdegradatie stoppen en omkeren en een einde maken aan het verlies aan biodiversiteit.


Voorbeelden uit de praktijk

Voorbeelden dienen alleen als indicatie van hoe andere bedrijven tot nu toe aan hun rapportageverplichtingen hebben voldaan. Gecontroleerde ESRS-rapporten zijn nog niet beschikbaar. Er is geen garantie voor juistheid en volledigheid.

E4-1 – Actieplan biodiversiteit (uittreksel)

Het actieplan voor biodiversiteit voor stedelijke productielocaties heeft tot doel de biodiversiteit en klimaatadaptatie te bevorderen, waarbij rekening wordt gehouden met locatiespecifieke eisen en wettelijke en veiligheidstechnische voorschriften. De maatregelen zijn gebaseerd op fundamentele principes die betrekking hebben op vegetatie en flora, water- en bodembeheer, mensen en contextgeschiktheid, en ecologisch beheer. Daarbij wordt onderzocht hoe aanpassingen van de strategie en het bedrijfsmodel van de onderneming zowel afhankelijkheden en risico's kunnen minimaliseren als kansen kunnen creëren om de biologische diversiteit en duurzame ecosystemen te bevorderen.

Om de plantendiversiteit te vergroten, worden inheemse soorten bevorderd, worden groene zones duurzaam onderhouden, bijvoorbeeld door het maaien uit te stellen om de bloeifase te voltooien, en worden pesticiden en chemische meststoffen vermeden. Ongemaaide gebieden blijven behouden om insectenhabitats te creëren. Op het gebied van water- en bodembeheer wordt aandacht besteed aan een duurzaam gebruik van hulpbronnen door wateren diervriendelijk af te schermen en de bodemstructuur te beschermen door middel van aangepaste maatregelen.

Wat betreft mensen en contextgeschiktheid wordt ervoor gezorgd dat aan veiligheids- en productie-eisen wordt voldaan. Hiertoe behoren het behoud van het zicht voor automobilisten, een veiligheidsafstand van 10 meter tussen grote bomen en gebouwen om brandgevaar te voorkomen, en de integratie van diervriendelijke hekken in potentieel gevaarlijke gebieden. Actief ecologisch beheer zorgt ervoor dat door middel van regelmatige evaluatie en aanpassing van de maatregelen rekening wordt gehouden met lokale omstandigheden. Dit gebeurt altijd met toestemming van het lokale management en de veiligheidsverantwoordelijken, waarbij rekening wordt gehouden met seizoensgebonden en ecologische bijzonderheden.

Alle maatregelen moeten voldoen aan de lokale en nationale wettelijke voorschriften. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat er vergunningen moeten worden aangevraagd voor terreinveranderingen of het kappen van bomen. Ten slotte wordt de nadruk gelegd op de integratie van de productielocaties in het omringende landschap, waarbij door middel van analyses wordt vastgesteld welke inheemse soorten in de omgeving voorkomen en waar mogelijk aan hun behoeften wordt voldaan om de maatregelen af te stemmen op het ecosysteem.

Dit artikel is machinaal vertaald. Bij fouten kunt u contact opnemen met [email protected].

Was dit een antwoord op uw vraag?