Naar de hoofdinhoud

E2-4 – Lucht-, water- en bodemverontreiniging

Deze week bijgewerkt

ESRS-norm

26. De onderneming moet de verontreinigende stoffen aangeven die zij door haar eigen activiteiten uitstoot, evenals de microplastics die zij produceert of gebruikt.

27. Het doel van deze rapportageverplichting is inzicht te verschaffen in de emissies in de lucht, het water en de bodem die het bedrijf in het kader van zijn eigen activiteiten produceert, alsook in de productie en het gebruik van microplastics.

28. De onderneming verstrekt de hoeveelheden van:

  • a) alle in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad (64) (Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen, E-PRTR) die in de lucht, het water en de bodem terechtkomen, met uitzondering van broeikasgasemissies die worden gerapporteerd overeenkomstig ESRS E1 Klimaatverandering (65);

  • b) microplastics die door de onderneming worden geproduceerd of gebruikt.

29. De in lid 28 genoemde hoeveelheden zijn geconsolideerde hoeveelheden, met inbegrip van de emissies van de installaties waarover de onderneming financiële zeggenschap heeft en de installaties waarover de onderneming operationele zeggenschap heeft. De consolidatie omvat alleen emissies van installaties die de in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 166/2006 vastgestelde drempel overschrijden.

30. De onderneming beschrijft de context van haar informatie en geeft uitleg over

  • a) de veranderingen in de loop van de tijd,

  • b) de meetmethoden en

  • c) de procedure(s) voor het verzamelen van gegevens voor de boekhouding en rapportage met betrekking tot milieuverontreiniging, met inbegrip van het soort gegevens dat nodig is en de informatiebronnen.

31. Indien voor de kwantificering van de emissies een methode wordt gekozen die inferieur is aan directe emissiemeting, licht de onderneming de redenen voor de keuze van deze methode toe. Als de onderneming gebruikmaakt van schattingen, vermeldt zij de norm, de sectorstudie of de bronnen waarop haar schattingen zijn gebaseerd, alsmede de mogelijke mate van onzekerheid en de bandbreedte van de schattingen die de meetonzekerheid weerspiegelen.

Toepassingsvereisten (AR)

AR 20. De overeenkomstig punt 28, onder b), te verstrekken informatie over microplastics omvat microplastics die worden geproduceerd of gebruikt in het kader van productieprocessen of die worden aangekocht en die de installaties van de onderneming verlaten als emissies, als producten of als onderdeel van producten of diensten. Microplastics kunnen onbedoeld worden geproduceerd wanneer grotere kunststofonderdelen zoals autobanden of synthetische textiel slijten, of ze kunnen doelbewust worden geproduceerd en aan producten voor specifieke doeleinden worden toegevoegd (bijvoorbeeld scrubkorrels en gezichts- en lichaamsverzorgingsproducten).

AR 21. De hoeveelheid verontreinigende stoffen moet worden aangegeven in geschikte massa-eenheden, zoals tonnen of kilogrammen.

AR 22. De informatie die op grond van deze rapportageverplichting vereist is, wordt verstrekt op het niveau van de rapporterende onderneming. De onderneming kan echter een aanvullende uitsplitsing verstrekken met informatie op locatieniveau of een uitsplitsing van haar emissies naar bronnen, sectoren of geografische gebieden.

AR 23. Bij het verstrekken van achtergrondinformatie over emissies kan de onderneming rekening houden met het volgende:

  • a) de lokale luchtkwaliteitsindex (AQI) voor het gebied waar de luchtverontreiniging door de onderneming plaatsvindt,

  • b) de mate van verstedelijking (DEGURBA) (66) voor het gebied waar luchtverontreiniging plaatsvindt, en

  • c) het percentage van de onderneming in de totale uitstoot van verontreinigende stoffen in water en bodem in gebieden die worden getroffen door waterrisico's, waaronder gebieden met een hoge waterstress.

AR 24. De informatie die in het kader van deze rapportageverplichting wordt verstrekt, kan betrekking hebben op informatie die de onderneming reeds moet verstrekken op grond van andere toepasselijke wetgeving (bijvoorbeeld de richtlijn inzake industriële emissies, het Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen, enz.

AR 25. Indien de activiteiten van de onderneming onderworpen zijn aan Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad (Industriële emissierichtlijn, IED) (67) en de relevante referentiedocumenten voor de beste beschikbare technieken (BREF), kan de onderneming, ongeacht of de activiteit al dan niet binnen de Europese Unie plaatsvindt, de volgende aanvullende informatie verstrekken:

  • a) een lijst van de door de onderneming geëxploiteerde installaties die onder de IED en de BBT-conclusies van de EU vallen,

  • b) een lijst van alle gevallen van niet-naleving of handhavingsmaatregelen die nodig waren om de naleving van de vergunningsvoorwaarden te waarborgen in geval van overtredingen,

  • c) de werkelijke prestaties volgens de BBT-conclusies voor industriële installaties en een vergelijking van de milieuprestaties van de onderneming met de "emissieniveaus die verband houden met de beste beschikbare technieken" (BBT-gerelateerde emissieniveaus), zoals beschreven in de BBT-conclusies,

  • d) de werkelijke prestaties van de onderneming op basis van de "met de beste beschikbare technieken geassocieerde milieuprestaties" (BBT-geassocieerde milieuprestaties), voor zover deze van toepassing zijn op de sector en de installatie, en

  • e) een lijst van alle door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 15, lid 4, van Richtlijn 2010/75/EU toegekende conformiteitsregelingen of afwijkingen die verband houden met de toepassing van de BBT-gerelateerde emissiewaarden.

Methoden

AR 26. Bij het verstrekken van informatie over verontreinigende stoffen moet de onderneming rekening houden met kwantificeringsbenaderingen in de volgende volgorde:

  • a) directe metingen van emissies, lozingen of andere verontreinigingen met behulp van erkende systemen voor continue monitoring (bijvoorbeeld automatische meetsystemen (AMS)),

  • b) regelmatige metingen,

  • c) berekening op basis van locatiespecifieke gegevens,

  • d) berekeningen op basis van gepubliceerde verontreinigingsfactoren en

  • e) schattingen.

AR 27. Met betrekking tot de vermelding van de methoden overeenkomstig lid 30 moet de onderneming rekening houden met:

  • a) of de monitoring in overeenstemming is met de EU-BREF-normen of andere relevante referentiewaarden, en

  • b) of en hoe de kalibratietests van de AMS en de controle van de regelmatige metingen door onafhankelijke laboratoria zijn uitgevoerd.

Voorbeelden uit de praktijk tot nu toe

Voorbeelden dienen alleen als indicatie van hoe andere bedrijven tot nu toe aan hun rapportageverplichting hebben voldaan. Gecontroleerde ESRS-rapporten zijn nog niet beschikbaar. Er is geen garantie voor juistheid en volledigheid.

Eigen voorbeeld

Een bedrijf stoot jaarlijks 170.000 kg/jaar zwaveloxiden uit in de lucht, 60.000 kg/jaar stikstof in het water en 75.000 kg/jaar in de bodem. Aangezien het bedrijf daarmee de drempelwaarden van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 166/2006 overschrijdt, moet het de emissies openbaar maken.

Tabel, paragraaf 28 a)

Bron: uittreksel uit bijlage II bij Verordening (EG) nr. 166/2006

Tabel, paragraaf 28 b)

Dit artikel is machinaal vertaald. Bij fouten kunt u contact opnemen met [email protected].

Was dit een antwoord op uw vraag?