ESRS-norm
ESRS-norm
ESRS 2 – Algemene informatie
ESRS 2 – Algemene informatie
8. De vereisten in dit hoofdstuk moeten worden gelezen in samenhang met de informatieverplichtingen in hoofdstuk 2 Governance, hoofdstuk 3 Strategie en hoofdstuk 4 Beheer van de effecten, risico's en kansen van ESRS 2.
9. De daaruit voortvloeiende informatie wordt samen met de in ESRS 2 vereiste informatie verstrekt, met uitzondering van ESRS 2 SBM-3, waarbij de onderneming de mogelijkheid heeft om de informatie samen te voegen met de themagerelateerde informatie.
10. Naast de verplichtingen uit hoofde van ESRS 2 omvat deze standaard ook de thematische informatieverplichting E4-1 Overgangsplan en rekening houden met biodiversiteit en ecosystemen in strategie en bedrijfsmodel.
17. De onderneming beschrijft haar procedure voor het vaststellen van de wezenlijke effecten, risico's, afhankelijkheden en kansen. De beschrijving van de procedure omvat informatie over of en hoe de onderneming
a) de feitelijke en potentiële effecten op de biodiversiteit en ecosystemen op zijn eigen locaties en binnen de toeleverings- en afzetketen heeft geïdentificeerd en beoordeeld, met inbegrip van de gebruikte beoordelingscriteria,
b) de afhankelijkheden van de biodiversiteit en ecosystemen en hun prestaties op zijn eigen locaties en binnen de toeleverings- en afzetketen heeft geïdentificeerd en beoordeeld, met inbegrip van de gebruikte beoordelingscriteria, en of bij deze beoordeling rekening is gehouden met ecosysteemdiensten die worden of waarschijnlijk zullen worden beïnvloed door verstoringen,
c) overgangsrisico's en fysieke risico's en kansen in verband met biologische diversiteit en ecosystemen heeft geïdentificeerd en beoordeeld, met inbegrip van de gebruikte beoordelingscriteria op basis van de effecten en afhankelijkheden ervan,
d) rekening heeft gehouden met systeemrisico's;
e) overleg heeft gepleegd met de betrokken gemeenschappen over duurzaamheidsbeoordelingen van gedeelde biologische hulpbronnen en ecosystemen; in het bijzonder geldt het volgende:
i. indien een locatie of de productie of aankoop van grondstoffen waarschijnlijk negatieve gevolgen heeft voor de biologische diversiteit en ecosystemen, moet de onderneming de specifieke locaties of de productie of aankoop van grondstoffen met negatieve of potentieel negatieve gevolgen voor de betrokken gemeenschappen identificeren,
ii. indien kan worden aangenomen dat er gevolgen zijn voor de betrokken gemeenschappen, moet de onderneming aangeven hoe deze gemeenschappen in de materialiteitsanalyse zijn betrokken, en
iii. met betrekking tot de effecten van zijn eigen activiteiten op ecosysteemdiensten die van belang zijn voor de betrokken gemeenschappen, geeft de onderneming aan hoe negatieve effecten kunnen worden voorkomen. Indien deze effecten onvermijdelijk zijn, kan de onderneming haar plannen aangeven om deze effecten te minimaliseren en corrigerende maatregelen te nemen om de waarde en functionaliteit van prioritaire diensten te behouden.
18. De onderneming kan aangeven of en hoe zij de scenarioanalyse voor biodiversiteit en ecosystemen heeft gebruikt als basis voor het identificeren en beoordelen van materiële risico's en kansen op korte, middellange en lange termijn. Indien de onderneming een dergelijke scenarioanalyse heeft gebruikt, kan zij de volgende informatie verstrekken:
a) waarom de in aanmerking genomen scenario's zijn gekozen,
b) hoe de in aanmerking genomen scenario's worden bijgewerkt in overeenstemming met veranderende omstandigheden en nieuwe trends, en
c) of de scenario's zijn gebaseerd op verwachtingen die zijn gepubliceerd door relevante intergouvernementele organen, zoals het Verdrag inzake biologische diversiteit, en, indien van toepassing, op wetenschappelijke consensus, zoals bijvoorbeeld uitgedrukt door het Intergouvernementeel Platform voor Biodiversiteit en Ecosysteemdiensten (IPBES).
19. De onderneming vermeldt met name het volgende:
a) of zij locaties heeft in of nabij gebieden met kwetsbare biodiversiteit en of activiteiten in verband met deze locaties een negatief effect hebben op deze gebieden door te leiden tot een verslechtering van natuurlijke habitats en habitats van soorten en tot verstoring van de soorten waarvoor het beschermde gebied is aangewezen, en
b) of zij tot de conclusie is gekomen dat er corrigerende maatregelen met betrekking tot de biodiversiteit moeten worden genomen, zoals bijvoorbeeld vastgelegd in de volgende wetgevingsbesluiten: Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake het behoud van de vogelstand, Richtlijn 92/43/EEG van de Raad inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, milieueffectbeoordeling (MER) overeenkomstig artikel 1, lid 2, onder g), van Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad (83) betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, bij activiteiten in derde landen beoordelingen in overeenstemming met relevante nationale bepalingen of internationale normen, zoals prestatienorm 6 van de International Finance Corporation (IFC): Biodiversity Conservation and Sustainable Management of Living Natural Resources (behoud van de biologische diversiteit en duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen).
Toepassingsvereisten (AR)
Toepassingsvereisten (AR)
AR 4. De materialiteitsanalyse volgens ESRS E4 omvat
a) de bijdrage aan de directe factoren die van invloed zijn op het verlies aan biologische diversiteit: (88)
i. klimaatverandering,
ii. veranderingen in landgebruik (bijv. denaturering van bodems), veranderingen in het gebruik van zoet water en zeeën,
iii. direct gebruik,
iv. invasieve uitheemse soorten,
v. milieuvervuiling en
vi. overige.
b) de gevolgen voor de toestand van soorten (d.w.z. populatieomvang, risico van wereldwijde uitsterving van soorten),
c) effecten op de omvang en de toestand van ecosystemen, onder meer door bodemdegradatie, woestijnvorming en bodemverzegeling, en
d) effecten op en afhankelijkheden van ecosysteemdiensten.
AR 5. Bij het analyseren van de materialiteit van effecten, afhankelijkheden, risico's en kansen moet de onderneming rekening houden met de bepalingen in ESRS 2 IRO-1 en hoofdstuk 3 Dubbele materialiteit als basis voor de rapportage van duurzaamheidsinformatie van ESRS 1 en haar overwegingen toelichten.
AR 6. De onderneming analyseert de materialiteit van biodiversiteit en ecosystemen in het kader van haar eigen activiteiten en binnen haar toeleverings- en afzetketen en kan haar materialiteitsanalyse uitvoeren in overeenstemming met de eerste drie fasen van de LEAP-aanpak: lokaliseren (paragraaf AR 7), evalueren (paragraaf AR 8) en beoordelen (sectie AR 9).
AR 7. Fase 1 omvat het lokaliseren van relevante locaties met betrekking tot hun raakvlak met biodiversiteit en ecosystemen. Om deze relevante locaties te identificeren, kan de onderneming:
a) een lijst opstellen van locaties waar directe activa zich bevinden en waar activiteiten worden uitgevoerd, evenals de daarmee samenhangende upstream- en downstream-waardeketen die relevant is voor de bedrijfsactiviteiten van de onderneming. Daarnaast kan de onderneming informatie verstrekken over locaties waarvoor toekomstige activiteiten officieel zijn aangekondigd,
b) een lijst opstellen van de biomen en ecosystemen waarmee het bedrijf raakvlakken heeft, op basis van de lijst van locaties overeenkomstig punt AR 7, onder a),
c) de huidige integriteit en het belang van de biologische diversiteit en het ecosysteem op elke locatie vaststellen, rekening houdend met de in de leden 16 en 17 bedoelde informatie,
d) een lijst opstellen van locaties waar de onderneming raakvlakken heeft met locaties in of nabij gebieden met kwetsbare biodiversiteit, rekening houdend met de in de leden 16 en 17 genoemde informatie, en
e) de sectoren, bedrijfsonderdelen, waardeketens of activaklassen identificeren die raakvlakken hebben met de biologische diversiteit en ecosystemen op deze belangrijke locaties. In plaats van deze raakvlakken voor elke locatie te identificeren, kan de onderneming ervoor kiezen om ze te identificeren op basis van het gewicht in tonnen voor elke aangekochte of verkochte grondstof, indien een dergelijke praktijk meer transparantie biedt.
AR 8. In fase 2 kan de onderneming de feitelijke of potentiële effecten en afhankelijkheden met betrekking tot de biodiversiteit en ecosystemen voor relevante locaties beoordelen door:
a) de bedrijfsprocessen en activiteiten identificeert die een raakvlak hebben met de biodiversiteit en ecosystemen,
b) de feitelijke en potentiële effecten en afhankelijkheden vaststelt,
c) de omvang, reikwijdte, frequentie en tijdsbestek van de effecten op de biodiversiteit en ecosystemen aangeeft, rekening houdend met de informatie vermeld in de paragrafen 16 en 17. Daarnaast vermeldt de onderneming het volgende:
i. het percentage van de faciliteiten van haar leveranciers dat zich in risicogebieden bevindt (met bedreigde soorten volgens de Rode Lijst van bedreigde soorten van de Internationale Unie voor het behoud van de natuur (IUCN), de vogel- en habitatrichtlijn of een nationale lijst van bedreigde soorten, of in officieel erkende beschermde gebieden, Natura 2000-beschermde gebieden en belangrijke biodiversiteitsgebieden),
ii. het percentage van zijn aankopen bij leveranciers met faciliteiten die zich in risicogebieden bevinden (met bedreigde soorten volgens de Rode Lijst van bedreigde soorten van de Internationale Unie voor het behoud van de natuur (IUCN), de vogel- en habitatrichtlijn of een nationale lijst van bedreigde soorten, of in officieel erkende beschermde gebieden, in Natura-2000-beschermde gebieden en in belangrijke gebieden voor de biologische diversiteit), en
d) de omvang en de mate van afhankelijkheid van biodiversiteit en ecosystemen, met inbegrip van grondstoffen, natuurlijke hulpbronnen en ecosysteemdiensten. De onderneming kan zich baseren op internationale classificaties, zoals de gemeenschappelijke internationale classificatie van ecosysteemdiensten (CICES).
AR 9. In fase 3 kan de onderneming op basis van de resultaten van fase 1 en 2 de volgende categorieën in aanmerking nemen om haar belangrijkste risico's en kansen te beoordelen:
a) fysieke risico's:
i. acute risico's (bijvoorbeeld natuurrampen die worden verergerd door het verlies van bescherming van de kusten door ecosystemen en die leiden tot kosten als gevolg van stormschade aan de kustinfrastructuur, ziekten of plagen die de soort of het ras van de planten aantasten waarvan de onderneming afhankelijk is, met name in geval van een gebrek aan of geringe genetische diversiteit, verlies van soorten en schade aan ecosystemen), en
ii. chronische risico's (bijvoorbeeld verlies van oogstopbrengst als gevolg van de afname van bestuivingsdiensten, toenemende schaarste of variabele productie van belangrijke natuurlijke productiemiddelen, schade aan ecosystemen als gevolg van activiteiten die bijvoorbeeld leiden tot kusterosie en versnippering van bosgebieden, verzuring van de oceanen, landverlies door woestijnvorming en bodemdegradatie en de daaruit voortvloeiende afname van de bodemvruchtbaarheid en het verlies van soorten);
b) overgangsrisico's, onder meer op de volgende gebieden:
i. beleid en wetgeving: bijvoorbeeld de invoering van wetgeving of beleidsmaatregelen (bijvoorbeeld wijzigingen zoals versterkte bodembescherming), blootstelling aan sancties en rechtszaken (bijvoorbeeld het lozen van verontreinigende stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid van mens en ecosysteem, of schendingen van rechten, vergunningen of toewijzingen in verband met biodiversiteit, of verwaarlozing of doden van bedreigde soorten), strengere rapportageverplichtingen met betrekking tot biodiversiteit, ecosystemen en daarmee samenhangende diensten,
ii. Technologie: bijvoorbeeld de introductie van producten of diensten met een geringere impact op de biodiversiteit of een geringere afhankelijkheid van ecosysteemdiensten, gebrek aan toegang tot gegevens of toegang tot gegevens van slechte kwaliteit die beoordelingen in verband met biodiversiteit belemmeren, overgang naar efficiëntere en schonere technologieën (bijvoorbeeld met een geringere impact op de biodiversiteit), nieuwe monitoringtechnologieën (bijvoorbeeld satellieten), vereisten met betrekking tot het gebruik van bepaalde technologieën (bijv. klimaatbestendige gewassen, mechanische bestuivers, waterzuivering, bescherming tegen overstromingen),
iii. Markt: bijvoorbeeld verschuivingen in vraag, aanbod en financiering, volatiliteit of gestegen kosten van grondstoffen (bijvoorbeeld biodiversiteitsintensieve productiemiddelen waarvan de prijs is gestegen als gevolg van schade aan ecosystemen),
iv. Reputatie: bijvoorbeeld veranderende percepties van de samenleving, klanten of gemeenschappen als gevolg van de rol van een organisatie in het verlies aan biodiversiteit, schending van natuurgerelateerde rechten door bedrijfsactiviteiten, negatieve berichtgeving in de media als gevolg van effecten op kritieke soorten en/of ecosystemen, sociale conflicten in verband met biodiversiteit vanwege bedreigde soorten, beschermde gebieden, hulpbronnen of milieuvervuiling;
c) systemische risico's, waaronder
i. het risico dat een ecosysteem instort of dat een kritisch natuurlijk systeem niet meer functioneert, bijvoorbeeld wanneer omslagpunten worden bereikt en de ineenstorting van ecosystemen leidt tot geografische of sectorale verliezen in de groothandel (som van fysieke risico's),
ii. geaggregeerde risico's in verband met de fundamentele gevolgen van het verlies aan biodiversiteit voor het niveau van het overgangsrisico en het fysieke risico in een of meer sectoren van een portefeuille (bedrijven of financiën), en
iii. besmettingsrisico's, waarbij financiële moeilijkheden van bepaalde ondernemingen of financiële instellingen zich verspreiden naar het economische systeem als geheel als gevolg van het niet in aanmerking nemen van risico's in verband met de biodiversiteit;
d) kansen, waaronder bijvoorbeeld
i. categorieën van bedrijfsprestaties: efficiënt gebruik van hulpbronnen, producten en diensten, markten, kapitaalstromen en financiering, reputatiekapitaal, en
ii. categorieën van duurzaamheidsprestaties: bescherming, herstel en herstel van ecosystemen, duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen.
Weergave van de informatie:
AR 10. De onderneming kan de onderstaande tabellen in overweging nemen om haar analyse van de materialiteit van materiële locaties overeenkomstig paragraaf AR 7 te vereenvoudigen:
Met betrekking tot sectie AR 7, letter e, kan de onderneming overwegen de onderstaande tabel te gebruiken:
Voorbeelden uit de praktijk
Voorbeelden uit de praktijk
Voorbeelden dienen alleen als indicatie van hoe andere bedrijven tot nu toe aan hun rapportageverplichtingen hebben voldaan. Gecontroleerde ESRS-rapporten zijn nog niet beschikbaar. Er is geen garantie voor juistheid en volledigheid.
E4.IRO-1 – Beschrijving van de procedures met betrekking tot biodiversiteit en ecosystemen
Gevoelige locaties en hun beoordeling
We zijn ons ervan bewust dat onze activiteiten invloed hebben op de natuur en dat we tegelijkertijd afhankelijk zijn van natuurlijke hulpbronnen. Daarom zijn we begonnen met het monitoren van de toestand van de ecosystemen waarin we direct of indirect actief zijn. Hoewel we tot nu toe geen uitgebreide beoordeling van geprioriteerde gevoelige locaties hebben uitgevoerd, gebruiken we de door TNFD aanbevolen methoden en instrumenten om gegevens over de gezondheid, stabiliteit en levensvatbaarheid van deze ecosystemen te verzamelen en te analyseren. Zo kunnen we beter begrijpen welke impact onze activiteiten hebben op het milieu en hoe we onze afhankelijkheid van intacte ecosystemen kunnen beheersen.
Criteria voor de beoordeling van kwetsbare locaties
Voor de beoordeling van kwetsbare locaties zijn verschillende criteria gehanteerd, waaronder de biodiversiteit. Zo wordt bijvoorbeeld gekeken of er bedreigde soorten voorkomen in de betreffende ecosystemen. Er wordt gebruikgemaakt van gegevensbronnen zoals de Rode Lijst van bedreigde soorten (IUCN Red List) en de Integrated Biodiversity Assessment Tool (IBAT) om wereldwijde biodiversiteitsgegevens te verzamelen en te analyseren. Indicatoren zoals het aantal bedreigde soorten dat binnen een straal van 50 km rond een locatie voorkomt, worden gedocumenteerd.
Analyse van de locaties
Met IBAT werden alle magazijnen, inclusief distributie- en logistieke centra in Polen, Roemenië en Slowakije, geanalyseerd. Daarbij werd gekeken naar een straal van 50 km rond elke locatie. De analyse omvatte drie hoofdcriteria en toonde aan hoe de magazijnlocaties potentieel naburige ecosystemen kunnen beïnvloeden.


